POETRY INTERNATIONAL; De tandeloze tong bijt diep

Vandaag heb ik de bedelaar een rijksdaalder gegeven. Het is nacht, de kortste nacht, Berlijnse nacht. Maar om half zeven was het al donker en de Berlijnse bijeenkomst in het Bibliotheektheater heb ik ook al voortijdig verlaten omdat de “poezie” van Armando mij zo naar de strot greep dat alleen frisse lucht mij nog kon redden. Het was zo mooi begonnen: een gratis tramrit en bij aankomst vuurwerk, zo maar, vanachter een wolkenkrabber.

“De keel is een snoer”, was gisteren een van Breytenbachs dichtregels en “ademhaling is een snoer”. Dat is suggestief en gelaagd, kan benauwenis en doodsangst beduiden maar ook de rust van het ademen, de band met het leven. Armando maakt mooie litho's maar is als dichter en beeldhouwer beangstigend bot, humor - of zelfs geestloos met een pathos waar je koud van wordt. Aan zijn monotone voorlezen kan het niet liggen: een compact geheel van holle kreten als het lange, lange gedicht het gevecht zou niemand kunnen vertolken: “Zijn haar stralen niet verraden, haar ogen dor na/ jarenlang verhalen? vertel haar veten verder,/ zwijgen zal belagen zijn./(...) waar ga ik, zal ik vinden?/ ik ken zijn bevelen,/ ik heb hem begrepen./ natuurlijk, hij duwt mij. hij schreeuwt./ hij weet niet dat hij mij verwacht./ ik ben het, zoek de dader eigen daad?/ wee hen, die mij heilig leken.“ Misschien is Armando de reincarnatie van Maurits Uyldert (“O grauwe dood die staag mijn eenzaam hart omhongert”), maar dan is er veel leuks verloren gegaan bij de zielsverhuizing.

Voor middernacht, in De Doelen, was ik ontroerd door de voorlezing van het duo Oscar Pastior/Wiel Kusters en van Duo Duo. Kusters/Pastior is een zeldzame taaltweeling, over en weer vertalend en hervertalend, volgens een procede dat doet denken aan, jawel, Finnegan's Wake. “Ik ben een kreuper lijmend kind” (Junikever). Het woord wordt teruggebracht naar het stadium voor zijn geboorte. Wij bevinden ons in de baarmoeder van de taal: “Op de rand, denk je, denk je zinnen die je denken./ Jij denkt, zij denken jou. In je zinnen ben je op hun hand. Je bent een randstapeling van zinnen/ die je naar de rand duwen, tegenzinnen, en ook/die zinnen, daar wandel je langs. (...) Op de rand van het denken, zolang je denkt lig jij/in zin na zin, voorlopig kan niemand je duwen over/de rand, die niet denkt, vreemd, alleen/in zinnen ben je veilig, word je gewiegd,/alleen in zinnen in vrijheid, maar in welke.”

Waarom bezoeken mensen poezie-avonden? Om eindelijk eens hun oren te geloven? Om het zonderlinge mengsel van intimiteit en aapjeskijken? Net als concerten; nooit vergeet ik hoe de primarius van het Alban Berg Kwartet al spelend hoog van zijn stoel opwipte, op de maat. Aan Duo Duo is niet bijzonders te zien terwijl hij leest, maar zijn woorden belichamen wat Breytenbach in zijn openingsrede zei over de tong, die geen tanden heeft maar des te dieper bijt. Een verleden wordt herdacht in Ochtend: “Ooit was het de handgreep van een fietsstuur/die de vorm behield die een hand erin gegrepen had./ Nu hangt het aan het buikje van je vader/ooit was het een foetus en weigerde geboorte/nu ben jij het/en kruipt terug naar die handgreep/je hebt alle details in je droom gedroomd/zoals de tanden die je vader op de grond liet liggen.” Bij Duo Duo gaat het verdichte geweld samen met mededogen, met wat bij Armando zo pregnant afwezig is.

Poetry is een feest, al lees ik zelf liever een boek. Pastior/ Kusters: “als het feest om vier uur begint begint het hoogtepunt om zes als het gedicht met het feest begint begint het hoogtepunt met het einde als het einde om zes uur begint begint het feest met het hoogtepunt als het hoogtepunt met het einde begint begint het einde met het gedicht als het einde met het feest begint begint het gedicht met het hoogtepunt als om zes uur het gedicht begint begint het gedicht om vier als het hoogtepunt begint begint het gedicht met het einde als het gedicht begint begint het einde”. Neem als tegenhanger Duo Duo en je kunt weer dagen voort: “Alleen om middernacht zingt de vogel die de nieuwe dag gezien heeft. Er is geen nieuwe dag. Vandaar.”