Nieuw museum in Bonn voor Duitse geschiedenis na 1945; Een zelfbeeld van verwoeste huizen en glanzende welvaart

Haus der Geschichte der Bundesrepublik Deutschland, Adenauer Allee 250, Bonn. Di t/m zo 9-19u.

BONN, 22 JUNI. Een puinhoop. Dat is de eerste expositie-aanblik die het vorige week geopende, nieuwe museum in Bonn biedt. Dat is ook de bedoeling. Want het museum, het Haus der Geschichte, is gewijd aan de geschiedenis van de Bondsrepubliek Duitsland.

En de Bondsrepubliek is gebouwd op de puinhopen in Duitsland na de Tweede Wereldoorlog. Een kapotte huismuur, handgenaaide vlaggetjes van de Siegermachte, een Amerikaanse jeep tussen het puin - daarmee begint de permanente expositie over de geschiedenis van de BRD. Tussen dat puin staat een grote zwarte kubus, waar de bezoeker in kan. Daarin valt te zien wat er misging tussen 1933 en 1945, aan de vooravond van de Bondsrepubliek. Er hangen foto's van de holocaust, en op ooghoogte glijden op tv-monitoren namen voorbij, eindeloze rijen namen met slachtoffers van Hitlers nazi-regime. Het is alsof je de gegevens van de 'zwarte doos' van het neergestorte vliegtuig Duitsland ziet, en aan de hand daarvan kunt vaststellen wat er fout is gegaan.

Buiten de zwarte doos zijn tastbare bewijzen van de Hitler-tijd te zien. Een radio, met de uitdrukkelijke aanwijzingen dat op last van Hitler niet naar buitenlandse zenders geluisterd mag worden. Speldjes met hakenkruizen, een Mens-Erger-Je-Niet-achtig gezelschapsspel 'Bomben Auf England', documenten en video-opnamen van Hitler en zijn propagandaminister Goebbels die de Duitsers opzwepen tot de Totale Oorlog.

“De geschiedenis wordt hier tastbaar,” zei Bondskanselier Helmut Kohl vorige week bij de officiele opening van het Haus der Geschichte der Bundesrepublik Deutschland. Dit nieuwe museum aan de Adenauerallee in de hoofdstad van de Bondsrepubliek is Kohls troetelkindje. Bij zijn eerste regeringsverklaring, in oktober 1982, verklaarde hij al dat hij streefde naar opzetten van een collectie gewijd aan de geschiedenis van 'onze staat en de verdeelde natie' sinds 1945. Onmiddellijk zagen critici allerlei beren op de weg. Men vreesde een veel te eenzijdig, door de regering gekleurd beeld van de recente geschiedenis. Om dat te voorkomen werden talloze werkgroepen en vele geleerden betrokken bij het project, en in 1990 gingen de politieke tegenstanders van de christen-democratische Kohl akkoord met het museumplan.

Nu staat het er dan, een gratis toegankelijk, fonkelnieuw gebouw van 116 miljoen D-mark, ontworpen door het Duitse architectenechtpaar Ingeborg en Hartmut Rudiger, en met een expositie-oppervlakte van ruim 10 duizend vierkante meter. Het is een uitnodigend, ruim en licht gebouw, met een tuin erachter die ook bij de expositie hoort: er staat een 'Duits' tuinhuisje, terrasmeubelen uit de afgelopen decennia en zelfs een tuinkabouter die onmiskenbaar op Helmut Kohl lijkt. De zorgvuldig samengestelde expositie is chronologisch opgebouwd, en dat is tot de periode van begin jaren zestig geen bezwaar. Na de puinhopen van het Hitlerregime (begeleid met tekstjes als 'Hoe was het mogelijk?') wordt in beeld gebracht hoe de deelstaten en de nieuwe politieke partijen ontstonden. Lopend door een vliegtuigromp van het type dat voor de luchtbrug op Berlijn gebruikt werd, wordt de blokkade van Berlijn in 1948 verbeeld. Ontroerend zijn de twee originele, armzalige houten tafeltjes, waaraan de Duitse politici onder supervisie van de geallieerden hun nieuwe grondwet opstelden - het fundament van de Bondsrepubliek. Vanaf dat moment, na de oprichting van de BRD eind jaren veertig (Oost-Duitsland heeft zich op last van Stalin al afgescheiden) gaat het, met steun van de VS, langzaam bergopwaarts met de Bondsrepubliek. Dat is ook letterlijk in het museum zo, want met een langzaam omhoog kronkelende hellingbaan lopen we nu verder de recente Duitse geschiedenis in. We komen in een ronde hal met een aantal wezenloze stoeltjes en het sprekersgestoelte uit het eerste Bondsdag-gebouw. Aansprekender is de prachtig glimmende Mercedes, die de eerste Bondskanselier, Konrad Adenauer, in de jaren vijftig als dienstwagen gebruikt (kenteken 0-002, de president had 0-001). De auto is, na veel omzwervingen, in Amerika teruggevonden en opgekocht door het museum, en helemaal opgeknapt. In het verarmde Duitsland werd de nieuwe glimmende Mercedes van Adenauer een symbool van hoop. De 'gewone' Duitsers zelf moesten het, als ze al een auto konden betalen, doen met aandoenlijke driewielerwagentjes, zoals de Isetta van BMW of de Messerschmidt KR200, ook in het museum.

Het is jammer dat vanaf dit tijdstip, midden jaren vijftig, de tentoonstellingmakers niet wat meer thematische onderdelen van de geschiedenis van de BRD en DDR gemaakt hebben. Want als het Wirtschaftswunder, de miraculeuze Westduitse economische opgang, midden jaren vijftig losbarst, wordt de expositie wel wat troebel. Men volgt zowel de economische als parlementair-politieke geschiedenis in zowel Oost- als West-Duitsland, en strooit daartussen door nog veel voorwerpen uit de cultuur van alledag (radio's, jurken, jukeboxen, Mickey Mouse in Duitsland, de introductie van de 'Anti-Baby-Pille'). Het resultaat van dit Duitse zelfbeeld is wel vermakelijk, er valt veel te zien, maar het is op den duur erg moeilijk nog een lijn te ontdekken. De bedreiging van de rechtsstaat door zowel extreem-links (RAF) en -rechts, de val van de Muur en de hereniging van Oost- en West-Duitsland (van Brandt tot Kohl), of de economische ontwikkeling van Duitsland aan de hand van automodellen, zouden thematisch beter tot hun recht gekomen zijn. Nu verdwijnen die in de zee van voorwerpen en documenten, waarvan sommige heel ontroerend zijn, zoals de uitspraak-spiekbriefjes die de Amerikaanse president John F. Kennedy bij zijn legendarische bezoek aan Berlijn gebruikte: Ish bin ein BearLEENer en Ish FROYer mish in DOICH-lont sue zine.