Kans op toewijzing pensioenclaims van deeltijdwerkers

ROTTERDAM, 22 JUNI. Deeltijdwerkers kunnen met terugwerkende kracht tot 1976 aanspraak maken op deelname in pensioenregeling. Dit standpunt is onlangs ingenomen door de advocaat-generaal bij het Europese Hof van Justitie in Luxemburg.

Als het hof het standpunt van de advocaat-generaal overneemt, zoals dikwijls gebeurt, betekent dit volgens de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen (VB) en de Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen (OPF) dat de Nederlandse fondsen een claim van ongeveer 1,2 miljard gulden van deeltijdwerkers tegemoet kunnen zien. Dit wordt bestreden door het Instituut vrouw en arbeid, dat zich (onder meer) inzet voor gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Deeltijdwerkers zijn dikwijls vrouwen. Volgens medewerker P. Portegies van dit instituut stellen VB en OPF de claim “astronomisch hoog” voor.

Tegenover de (potentiële) claim voor de fondsen staat dat de fondsen ook met terugwerkende kracht premiebetaling kunnen verlangen. De advocaat-generaal acht het namelijk een ongerechtvaardigde verrijking van deeltijdwerkers, indien zij wel met terugwerkende kracht pensioenrechten kunnen opeisen zonder dat zij alsnog premie betalen over de jaren waarin zij van deelname aan de pensioenregeling werden uitgesloten. Dat zou volgens de advocaat-generaal tot nieuwe discriminatie leiden.

Sociale partners in Nederland overleggen al geruime tijd over zogenoemde pensioenreparatie voor ten onrechte uitgesloten werknemers. De Tweede Kamer heeft er afgelopen voorjaar nog op aangedrongen dat het door sociale partners beheerde Fonds voorheffing pensioenverzekering wordt aangewend voor de reparatie van pensioenregelingen voor deeltijdwerkers. In dit fonds zit 4 miljard gulden reserve.

De procedure bij het Europese Hof vloeit voort uit een zaak die aanhangig is gemaakt door een deeltijdwerkster uit Nederland die niet werd toegelaten tot de pensioenregeling van het bedrijf waar zij werkte. Naar verwachting doet het hof in de loop van volgend jaar uitspraak.

In het kader van het Verdrag van Maastricht zijn door de landen van de Europese Unie afspraken gemaakt over beperking van de terugwerkende kracht van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in pensioenaangelegenheden tot 17 mei 1990. De advocaat-generaal wijst er echter op dat deze afspraken betrekking hebben op de opbouw van pensioenrechten en niet op de aanspraak op deelname aan een pensioenregeling. Wat deze aanspraak betreft behoort het gelijkheidsbeginsel volgens hem te gelden vanaf 1976. Als het hof deze interpretatie volgt, zou de terugwerkende kracht dus worden verlengd van 1990 naar 1976.