Inferieure belasting

Er is - helaas - iets ernstig mis met de inkomstenbelasting. Volgens de Rotterdamse hoogleraar Stevens zijn haar dagen geteld. De ruim 100 jaar oude heffing gold ooit als het moderne toonbeeld van fiscale beschaving. Uitgaande van onderlinge solidariteit nam het eerlijk ieders draagkracht als uitgangspunt. Maar, aldus Stevens, “de vanuit warme solidariteitsgevoelens opgebouwde verzorgingsvoorzieningen blijken niet meer bestand te zijn tegen de kille, zakelijke benadering van de calculerende burger, die becijfert welk gedrag hem het grootste persoonlijke profijt oplevert”. Bovendien maakt de wetgever er een potje van door de inkomstenbelasting te gebruiken voor zaken die helemaal niets met de draagkrachtgedachte te maken hebben.

De zaak loopt waarschijnlijk nog het meest uit de hand ten aanzien van vermogens: spaartegoeden, een eigen huis, een effectenportefeuille of het bedrijf in een eigen BV. Hier liggen voor de calculerende burger gouden kansen om onder belastingheffing uit te komen. Zwarte spaartegoeden in Luxemburg worden alleen bij toeval door de fiscus achterhaald. Een rentegroeifonds biedt zonder wetsovertreding prima mogelijkheden. De belastingheffing over inkomsten uit de eigen BV kan men op tal van legale manieren ontlopen. Eigenlijk vráágt de wetgeving daarom, door na de winstbelasting in de BV, vervolgens bij de aandeelhouder nogmaals over de winst belasting te heffen. Het kan voorkomen dat een aandeelhouder - de vermogensbelasting meegerekend - van een normale dividenduitkering niet eens genoeg overhoudt om de inflatie te bestrijden. Wie zou denken dat de schatkist hier veel beter van wordt, zit er naast. Als we bij de inkomsten uit vermogen rekening houden met de bijbehorende aftrekposten, dan schiet de gemeenschap er zelfs bij in. (Dit op basis van cijfers over 1990; door latere lastenverzwaringen zal de situatie nu iets beter zijn.)

Terwijl twee vereenvoudigingscommissies deze problematiek links hebben laten liggen en staatssecretaris Van Amelsvoort (Financiën) na jaren nadenken niet verder komt dan het schetsen van richtingen voor mogelijke oplossingen, presenteerde Stevens onlangs een goed onderbouwd plan voor het belasten van inkomsten uit aandelen. Hij pleit daarin voor een vast tarief van 20 procent voor dit soort inkomsten. Daarmee wijkt hij af van de structuur van de inkomstenbelasting, die immers een progressief tarief kent waarbij bovendien geen onderscheid bestaat tussen de verschillende bronnen van inkomen. Stevens zelf geeft aan dat zijn benadering vroeger als een inferieure vorm van belastingheffing afgedaan zou zijn. Vooral de afnemende solidariteit en de internationalisering maken volgens hem deze stap terug noodzakelijk. Uiteindelijk doet de tariefsvereenvoudiging en het dichten van diverse mazen de draagkrachtgedachte toch recht, aldus Stevens.

Zijn plan behelst voorts een aanzienlijk straffer regime voor het profijt dat de groot-aandeelhouder uit zijn bezit trekt. Daarbij moeten niet alleen tal van sluiproutes verdwijnen maar zou ook een belang van 10 procent in het aandelenkapitaal voldoende zijn voor het groot-aandeelhouderschap (het zogenaamd aanmerkelijk belang). Ook hier het nieuwe vaste tarief van 20 procent, dat laag lijkt vergeleken met de normale progressieve heffing op bijvoorbeeld rente. Maar als men een voor bedrijven geldende winstbelasting van 38 procent meetelt, is er over het dividendbedrag in totaal ongeveer 50 procent belasting geheven. Dat ligt in de lijn van wat de meeste mensen ook over hun rente-inkomsten aan belasting kwijt zijn.

Tenminste, als ze hun geld niet naar Luxemburg hebben gebracht. Want ondanks Stevens moedige poging zelf met een politiek haalbare deeloplossing te komen en niet met de wolven in het bos mee te huilen, blijven er enorm veel problemen met het belasten van profijt uit vermogen. De waardestijging van aandelen (als men geen groot-aandeelhouder is), van speculatie of van het eigen huis, blijft buiten de belastingheffing. Dat is onbevredigend omdat het zo verkregen extra geld maatschappelijk vaak wel degelijk als inkomen wordt gezien. De remedie daarvoor zou een belasting op vermogenswinsten zijn. Een aantal andere landen zoals België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Engeland kennen zo'n heffing in een of andere vorm. Voor Nederland is deze belasting in 1979 (toen nog een hartewens van de PvdA) voor het laatst door de regering van de hand gewezen.

Staatssecretaris Van Amelsvoort doet dat opnieuw in een notitie die hij als demissionair bewindsman naar de Kamer zond. Daarbij blijkt vooral zijn beduchtheid voor ongewenste economische invloeden (risicomijdende beleggingen worden interessanter), voor problemen bij de verrekening van vermogensverliezen (de andere kant van de medaille) en voor talrijke technische problemen. Die lopen uiteen van de vraag wanneer en hoe waardestijgingen moeten worden bepaald tot de vraag op welk moment ze feitelijk moeten worden belast. Op dit punt zouden zich vaak financieringsproblemen voor de belastingbetaler voordoen.

De totale opsomming van problemen is zo indrukwekkend, dat het inderdaad geen zin heeft ons belastingstelsel te perfectioneren met een vermogenswinstbelasting.