Hoi

Een grondige cultuurgeschiedenis van de groet, daar kun je plotseling behoefte aan hebben. Een definitieve studie over de groetgrens en de gelukte groet, groetfrequentie en groetverplichting. Groet en stad. Groet en identiteit. Wanneer groet men, wie en waarom? Waar wel en waar niet? Is de groet een recht, een plicht, een geschenk? En niet te vergeten: de groet in historisch perspectief.

In de stad lijkt het groeten aanzienlijk facultatiever dan op het platteland. Sommige mensen in mijn straat groet ik, andere niet, zo eenvoudig is dat. Het begroetingspatroon zal in hoofdzaak wel tot stand zijn gekomen tijdens het eerste bewoningsjaar. Geen mens die precies weet hoe dat in zijn werk gaat. Op een dag ligt het min of meer vast. Toch komt het wel voor dat je plotseling, na bij voorbeeld wel twintig jaar van zwijgend passeren, iemand begint te groeten.

Wat de achtergrond is van zo'n verruiming van het groetbeleid? Misschien een tijdelijk sterk toegenomen gevoel van buurtbewoning. Of een golf van verzoening met de wereld. Maar iets onbezonnens heeft het zeker, want in principe zit je er nu aan vast, voortaan. Zo'n eerste groet lijkt maar een klein incident, maar is een contract voor alle volgende groeten.

Het lied Beautiful People van zangeres Melanie, omstreeks 1968, bracht het gevoel jegens de plotseling-zomaar-binnen-de gezichtskring-opduikende-medemens (Forens? Flatbewoner? Liftgebruiker?) prachtig zij het lichtelijk hysterisch onder woorden. 'Mooie mensen', zo zong zij, 'jullie gaan elke morgen dezelfde kant op als ik en nog nooit heb ik notitie van jullie genomen'. Misschien zou Melanie in het hoofdstuk 'Groet en Stad' van de door mij verlangde studie vermelding verdienen als pleitbezorgster van de moderne van alles losgezongen grootstedelijk groet.

De fietser die op het platteland zijn hand opsteekt naar elke grondeigenaar en grondbewerker - zo iemand ben ik wel - loopt in elk geval geen enkel gevaar, zich voor zijn verdere leven vast te leggen. Ook de groet in het voorbijgaan, gewisseld met tegemoetkomende fietser, komt daar met het grootst mogelijke gemak tot stand. Hiervoor is het genoeg om buiten de bebouwde kom te zijn.

Onlangs, in het Groningse, heeft het me gefrappeerd hoe ongelooflijk scherp getimed het groeten er plaatsheeft. Het was een aspect van de groet dat ik nog niet goed kende. 't Is namelijk een bezigheid, daar, die de uiterste precisie vraagt. Je kunt er wel te vroeg mee zijn, maar nauwelijks te laat. Daar nadert iemand op de fiets, net als jij. De spanning loopt al wat op. Want achter de ogenschijnlijke nonchalance verbergt zich iets als de pure concentratie van de paukenist. Drie fietslengtes nog. Nu nog twee. En nog maar een...Daar gaat ie.

- Hoi.

- Hoi.

Maar hoe moet ik uitleggen dat de twee hoi's zo dicht op elkaar zitten dat ze bijna klinken als een enkel vereenvoudigd hoi? Als een eenparig duet haast, al is het dan in dit tot het uiterste beknopte proza. Want deze twee korte hoi's - een nog korter klinkende, nog minder tijdrovende groet is naar mijn gevoel fysiek onmogelijk - deze twee korte hoi's dus, moeten namelijk naadloos aan elkaar grenzen. Het is hier kennelijk zo dat het onbeleefd wordt gevonden om de begroetingstijd nodeloos te laten uitlopen.

Gaandeweg, naarmate ik er zelf ook beter in werd, raakte ik ervan overtuigd dat het bijna een wedstrijdkarakter had, dit noordelijke groeten. Zo'n snelheid heb ik nooit eerder meegemaakt. Ik zou er wat onder durven verwedden dat de Groningse groettijd de beste ter wereld is.