Hoge Raad verruimt begrip 'hulp bij zelfdoding'

DEN HAAG, 22 JUNI. Langzaam maar zeker worden de blanco pagina's in de Wet op de lijkbezorging door de rechterlijke macht ingevuld. De veel besproken en bekritiseerde regeling, die na jarenlange politieke, medische en ethische discussies tot stand kwam, kreeg gisteren met het arrest van de Hoge Raad in de zaak-Chabot een belangrijke nieuwe paragraaf. De uitspraak biedt artsen in beginsel de mogelijkheid hulp bij zelfdoding te verlenen aan patienten die door geestelijk lijden niet meer willen leven.

De Hoge Raad bepaalde dat de Haarlemse psychiater B.E. Chabot, die in 1991 een psychisch lijdende vrouw uit het Drentse Ruinen een dodelijke dosis medicijnen verstrekte, weliswaar strafbaar is wegens 'opzettelijk een ander bij zelfmoord behulpzaam zijn, terwijl de zelfmoord volgt', maar het rechtscollege legde hem geen straf op. Het arrest bevat wel een voorwaarde voor de handelwijze van artsen die psychisch lijdende patienten helpen bij hun zelfdoding: de arts moet de patient door een tweede psychiater laten onderzoeken voordat op het verzoek om hulp wordt ingegaan. Chabot had zeven vakgenoten geraadpleegd over de situatie van zijn patiente, maar geen van hen had haar gezien, laat staan onderzocht, mede omdat de patiente dat door de aard van haar problemen zelf niet wilde. Voor de rechtbank en het gerechtshof, die hem vorig jaar ontsloegen van rechtsvervolging, was Chabots consultatieronde langs zijn collega's afdoende bewijs voor het zorgvuldige handelen dat voorafging aan zijn besluit in te gaan op het verzoek van zijn patiente.

De Hoge Raad maakt met het schuld-zonder-boete-arrest in de zaak-Chabot in feite geen principieel onderscheid meer tussen patienten wier lijden wordt veroorzaakt door psychische, dan wel lichamelijke oorzaken. De extra zorgvuldigheidseis voor hulp bij zelfdoding aan psychiatrische patienten - de onafhankelijke 'second opinion' - is gesteld door de Hoge Raad omdat het 'uitzichtloos en ondraaglijk lijden' bij psychiatrische patienten moeilijker objectief is aan te tonen dan bij personen die lichamelijk lijden. De psychiatrische patient bevindt zich immers niet in de stervensfase, waarmee onder meer de vraag wordt opgeworpen of de psychische klachten door behandeling niet zijn te verhelpen.

Het onafhankelijke onderzoek door de tweede arts moet volgens de Hoge Raad een “uitzonderlijk grote behoedzaamheid” bij de eindbeslissing van de behandelende arts garanderen. Pas als aan die eis is voldaan kan de arts zich beroepen op de zogenoemde noodtoestand waarmee hij in de praktijk strafvervolging vermijdt. Daarvan is sprake als de arts in conflict raakt wegens zijn tegenstrijdige plichten om enerzijds de patient in leven te houden en anderzijds diens lijden op te heffen of te verlichten.

Het arrest van het hoogste rechtscollege maakt voor veel artsen een einde aan een onzekere situatie. Over het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie, de vraag wanneer een arts wel of niet juist handelde, bestond de afgelopen jaren grote onduidelijkheid wegens het gebrek aan richtlijnen. Die onzekerheid onder artsen werd nog gevoed door de stijging van het aantal vervolgingen van artsen door het openbaar ministerie, die vanaf 1991 inzette.

Met de uitspraak die de Hoge Raad gisteren deed lijkt tegelijkertijd een verruiming van de mogelijkheden voor hulp bij zelfdoding te zijn geboden. Artsen zullen mogelijk vaker verzoeken van geestelijk zieke patienten krijgen om te helpen hun leven te beeindigen. Met het verplichten van het onderzoek door een tweede arts wil de Hoge Raad echter verzekeren dat de finale beslissing met voldoende zorgvuldigheid zal worden genomen.

Met de baanbrekende uitspraak wordt de lijn voortgezet die in de afgelopen kabinetsperiode is uitgestippeld door de regeringspartijen CDA en PvdA, al druist het in de praktijk toestaan van hulp bij zelfdoding aan psychiatrische patienten in tegen het standpunt van oud-CDA-minister Hirsch Ballin van justitie. Volgens Hirsch Ballin moest euthanasie strafbaar blijven in alle gevallen waarin de patient zich niet in de stervensfase bevond. De Hoge Raad maakt daarvoor nu in de praktijk uitzonderingen mogelijk.

Volgens de wens van de sociaal-democraten zouden artsen niet worden vervolgd zolang zij zich aan een lijst van zorgvuldigheidseisen houden, zoals de verzekering dat het verzoek van de patient om hulp bij zelfdoding “vrijwillig, weloverwogen en herhaald” is gedaan. De compromisregeling die beide partijen overeenkwamen ging uit van een situatie waarbij de patient stervende is, of uitzichtloos en ondraaglijk lijdt, zonder kans op behandeling. Tot nu toe is er vooral gedacht aan patienten die lijden aan aids of aan kanker.

De positie van de zogenoemde 'wilsonbekwamen', onder wie ook begrepen psychiatrische patienten, werd echter niet geregeld; aan dat heikele punt waagde de Haagse politiek zich niet. De normen daarvoor moesten totstandkomen door gerechtelijke uitspraken in processen tegen medici die bereid waren hun handelen ter toetsing voor te leggen.

In het proces tegen de Haarlemse psychiater Chabot oordeelde procureur-generaal mr. S. Zwerwer van het Hof in Leeuwarden dat er bij een psychiatrische patient nimmer sprake kan zijn van een “vrije wilsbepaling” bij een verzoek om hulp bij zelfdoding. De Hoge Raad vindt echter met het gerechtshof dat aan de stervenswens van personen die psychisch lijden wel een autonome wilsbepaling ten grondslag kan liggen. Dat moet na het arrest-Chabot van gisteren dan wel door minimaal twee artsen worden geconstateerd. Niet alleen voor de behandelend arts, maar ook voor de psychiatrische patient heeft de Hoge Raad daarmee een extra barriere opgeworpen voor hulp bij zelfdoding.