Geen zee meer voor Pahao

Ik hoorde z'n naam voor het eerst noemen in de rommelige bar van het Pacific Hotel in Papeete. Franse marineofficieren en opzichtige geheime agenten, die de Franse nucleaire belangen in Polynesie beschermen, hokken daar 's avonds samen om hun macho-rituelen uit te voeren. Een kleine magere man in een verschoten Hawaii-hemd zat mistroostig in een glas mangosap te staren. De barman probeerde hem wat op te vrolijken door hem een glas pernod voor z'n neus te zetten. De kleine man weigerde. De barman riep uit dat als hij niet oppaste hij nog eens als Pahao zou eindigen. Ik vroeg de barman wie Pahao was. “Een of andere zonderling”, was z'n antwoord, “maar als je het precies wil weten, moet je de lokale vissers vragen.”

Met een doosje Hinano, het lokale bier, paaide ik Moni Tetiahari en Gabriel Teahu, twee oude tonijnvissers met doorgroefde koppen. Aan hen ontfutselde ik het volgende verhaal.

Pahao leefde tot aan het eind van de jaren vijftig vlak bij een waterval in de groene bergen van Tahiti. Ver voor de Tweede Wereldoorlog was hij stuurman op een oude wrakke schoener, de Tematangi. De Amerikaanse kapitein was een arrogante kwast zonder veel ervaring in de Polynesische wateren. Op een dag aan het begin van de regentijd dwong hij Pahao toch zee te kiezen vanuit de lagune van het eiland Apotaki in de Toeamotoe Archipel. Een Hollandse ontdekkingsreiziger uit de achttiende eeuw zag het eiland ooit in het rood van de ondergaande zon opdoemen en noemde het 'Avondstond'. Voor Pahao werd 'Avondstond' het begin van een lange nachtmerrie. Door storm en zware regenbuien lukte het niet de juiste koers aan te houden. Hij voer Tahiti, de bestemming van de Tematangi, voorbij.

Het schip zwalkte maandenlang doelloos rond. Door gebrek aan water en voedsel stierf de bemanning, behalve Pahao. Toen hij uit z'n honger-, en dorstkoorts ontwaakte, lag hij in een hut aan het strand van een Tonga-eiland. Meer dan 1.500 zeemijlen westwaarts van z'n geliefde Tahiti.

Wat was er gebeurd? Vissers zagen het spookschip in de ondergaande zon tegen de hemel geetst. Ze enterden de drijvende doodskist en vonden op het dek de uitgedroogde karkassen van de bemanning. Alleen in Pahao zat nog leven. Ze haalden hem van boord en de Tematangi dreef op de avondwind verder. Van de schoener is nadien niets meer gehoord of gezien.

Pahao z'n lichaam was uitgedroogd, z'n huid gelooid door de zon. Een oude vrouw die ooit haar enige zoon aan de zee verloor, verzorgde hem als haar kind. Elke dag smeerde ze z'n gehavende lijf in met geneeskrachtige bloemenolie en zette hem de lekkerste hapjes voor. Na verloop van tijd kreeg z'n doffe huid weer een diepbruine glans.

Toen hij weer in staat was de liefde te bedrijven met de mollige buurvrouw van z'n bejaarde verzorgster, vond hij het tijd om maar eens op te stappen.

Maanden later zette hij weer voet aan wal op Tahiti. Op de kade van Papeete keek hij nog een keer goed naar de zee. Daarna liep hij regelrecht de bergen in.

In een schemerige vallei vol mangobomen, vlakbij een eeuwig ruisende waterval bouwde hij zich van takken en bladeren een onderkomen.

Het strand met z'n felle zon en zoute water meed hij voortaan als de pest. Z'n ziel was, zoals hij vertelde aan de weinige mensen die hem opzochten, droog gekookt. De rest van zijn leven wilde hij slijten onder een koel bladerdak, vlakbij stromend zoet water en een overvloed aan vruchten.

Zo tilde hij zich in een eigen paradijs: nooit meer dorst, nooit meer honger!