Eerste opstand der bejaarden

Wie met pensioen of met VUT gaat zal eerst een gevoel van vrijheid ervaren, maar wordt eigenlijk als maatschappelijk overbodige aan de kant gezet. A. Kleijn vindt dat bejaarden moeten worden verlost van deze dwangbuis en zelf moeten kunnen bepalen wanneer zij stoppen met werken.

In de jaren dertig, de zestig gepasseerd, schreef de in 1869 geboren Coos Speenhoff, 'Nederlands populairste troubadour', in een brief aan Jan Greshoff: “Ons zingen en optreden is zo goed als gedaan. Nog maar zelden leven we. Ik word overal weggelaten en mijn vraagbrieven blijven onbeantwoord. Ik ben in de rijken der overbodigen en nodelozen opgenomen. Ik zit maar thuis en denk aan vroeger. Vergeten en afgeknipt sukkel ik naar het einde en de verarming gaat al ernstig worden.” Zo zag het bejaardenvraagstuk er in die jaren uit. In het bijzonder voor hen die intens in de samenleving hadden meegeleefd en nu plotseling, op hun vijfenzestigste of geleidelijk, op het zijspoor der overbodigen werden gerangeerd. Zeker, sinds Speenhoff leefde, zijn op het punt van verzorging en besteedbaar inkomen de omstandigheden waaronder de bejaarden leven aanzienlijk verbeterd, al bleven ze wel hangen in de minimum-sfeer van de over het algemeen zoveel groter geworden welvaart. Ze bleven breekbaar. Bleken zelfs afbreekbaar. En het was de angst daarvoor die bij de recente Tweede Kamer-verkiezingen zovelen hun stem deed uitbrengen op de bejaardenpartijen, ook al valt het te betwijfelen of deze steun aan belangenpartijen als zodanig veel heul zal opleveren. Toch, niet alleen hebben wel meer, nu algemeen gerichte partijen, hun prille ontstaan te danken aan de specifieke behoeften en belangen van bepaalde bevolkingsgroepen als bijvoorbeeld uitgebuite industrie-arbeiders, maar bovendien gaf de plotselinge belangstelling voor de bejaardenpartijen ook een onmiskenbaar sein aan de gevestigde politiek: 'Let op, hier zit iets scheef!' Een niet te veronachtzamen deel van de Nederlandse bevolking, tot hiertoe te kenschetsen als rustig en niet direct tot ontevredenheid geneigd, is in opstand gekomen. Vooralsnog op een rustige en volstrekt parlementaire manier, naar eigen trant. Maar niettemin de eerste opstand der bejaarden.

De oorzaak? Een domme geldkwestie. Een onhandige bezuinigingspoging. Maar daar achter rijst levensgroot een ander motief: angst dat een eindelijk bereikte, redelijk beveiligde oude dag voor eenieder, weer verloren zal gaan; dat met verarming in het verschiet het levenspatroon weer gaat verschralen. Een veilige oude dag, zonder dat inspanningen worden gevraagd die eigenlijk niet meer zijn op te brengen, blijkt een diep gewortelde behoefte. In ontwikkelingslanden brengt ze de vrouwen ertoe zich te omringen met zoveel mogelijk kinderen, waarop ze later, als ze oud zijn, terugvallen. Dat is daar de veiligheidsklep. In onze verzorgingsstaat, waar de staat verzorgingsproblemen van economisch zwakkeren van vaak onmachtige individuen heeft overgenomen, wordt van de overheid verwacht dat zij de mogelijkheden schept voor een adequate bejaardenzorg. Dreigt daar iets mis te gaan met het verzorgingspeil, dan vallen heftige emotionele reacties te verwachten. In het algemeen trouwens zit veiligheid de bejaarden hoog. Vooral in hun kring zijn gesprekken over veiligheid en gevaren, verkeersonveiligheid, de gevaren van een nog altijd toenemende criminaliteit, dreigende kwalen, ziekten, aan de orde van de dag.

Jongeren raakt dit emotioneel veel minder. Ze aanvaarden de wereld gemakkelijker zoals die is. Ze onderkennen de gevaren nog niet die ouderen op zich af zien komen of veronachtzamen ze omdat ze niet in hun kraam te pas komen. Voor hen zijn het juist vaak de risico's die er wat spanning in brengen. Hier, en in het verlies aan tempo bij ouder wordende mensen uiten zich de belangrijkste verschillen tussen jong en oud. De jeugd ergert zich vaak blauw aan de zwaartillendheid en het trage gedoe van 'die oude zakken'. Ze heeft de ouderdom nog niet beleefd, kan die dan ook nauwelijks navoelen. Ze kijkt er van buiten tegenaan als iets weinig begerenswaardigs en het grootste compliment dat een bejaarde gemaakt kan worden is dat hij of zij er nog zo jong uitziet; dat hun jaren hem of haar niet zijn aan te zien. Er heerst hier niet alleen een generatieverschil, maar een totaal verschillende belevingswereld.

De belevingswereld van de ouderen komt er, begrijpelijkerwijs, het bekaaidst af. Niet alleen naar het oordeel van wie jonger is, maar ook in feite. Ze mag dan, bij het bereiken van de vijfenzestig of de VUT eerst een aangenaam gevoel van vrijheid meebrengen dat je nu doen kunt wat je wilt. Maar daarnaast is het een onmiskenbaar feit dat een breuk ontstond met deelname aan het maatschappelijk leven en de contacten, vooral met jongeren, die daaruit voortvloeien. Contacten gaan zich steeds meer concentreren op kinderen, de naaste familie en medebejaarden. Steeds duidelijker dringt het door dat de toekomst een aflopende zaak is, een notie die gaat overwegen naarmate bejaarden hoogbejaarden worden - zo tussen 80 en 85 - en er voor en na allerlei aftakelingsverschijnselen komen opdoemen.

Al met al trekt het bereiken van het vijfenzestigste jaar of de VUT-leeftijd een onderling sterk isolerende scheidslijn door het Nederlandse volk. Bejaarden worden dan symbolisch en feitelijk als maatschappelijk overbodig aan de kant gezet. Ze worden verder gerepresenteerd en verzorgd door jongeren, die het stellig goed met hen menen en daarnaar handelen op grond van wat hun gerontologisch is ingeprent, maar die uitgaan van een door henzelf niet beleefd vermoeden: zo willen ouderen benaderd, behandeld en verzorgd worden.

Het grote gevaar van een dergelijke zuiver rationalistische benadering is dat de bejaarden niet langer gezien worden als de gewone mensen, die ze al van jongsaf zijn, maar domweg als een categorie, die naar rationalistische uitgangspunten zus en zo dient te worden aangepakt, nadat ze een bepaalde leeftijdsdrempel heeftoverschreden. Ieder mens, ook de bejaarde, heeft eigen behoeften en verlangens en verlangt van zijn overheid dat deze de mogelijkheden schept die deze tot hun recht doet komen. De grote meerderheid stelt het op prijs zo lang mogelijk op eigen houtje op de oude voet te blijven voortleven in het eigen huis. Daaraan bestaat geen twijfel. Maar het knelpunt bij dit verlangen is wel het 'zo lang mogelijk'. Voor veel bejaarden komt er vaak heel plotseling een moment dat aan het zelfstandig voortleven in het eigen huis misschien een eind moet komen. Dan is de keus: wat nu, een keus die, zo dit geestelijk nog mogelijk is, in vrijheid gemaakt moet kunnen worden. In het eigen huis blijven, met behulp van buiten (thuiszorg) of verhuizen naar een bejaardenoord of misschien een verpleeghuis. Het is natuurlijk in de eerste plaats de ernst van de ontstane situatie, die bij deze keus een rol speelt. Maar daarnaast ook de geaardheid van wie de keus moet doen. Velen zullen er de voorkeur aan geven, als dit kan, in het eigen huis te blijven en het daar dag aan dag alleen zitten tot de thuishulp weer voor een uurtje of korter komt opdagen, op de koop toe nemen. Voor andere geimmobiliseerden is dit een obsessie. Zij willen meer contactmogelijkheden en geven de voorkeur aan een bejaardentehuis of een andere mogelijkheid. Dit impliceert een samenleving die op al deze verschillende wensen is ingesteld. Waarbij in het bijzonder ook aandacht wordt besteed aan het gevaar van vereenzaming, dat voor veel bejaarden en vooral hoogbejaarden, die geleidelijk familie en bekenden om zich heen zien wegvallen, levensgroot bestaat.

Dit houdt in - een eerste noodzaak bij bejaardenzorg - dat de samenleving zo georganiseerd moet zijn dat ze de ouderen, die zorg behoeven, een sterk gevarieerd pakket verzorgingsmogelijkheden biedt, afgestemd op hun wensen en behoeften en op wat ze nog 'waard' zijn wat hun capaciteiten betreft. Immers, die ene bejaarde is wat dat betreft de andere niet. Maar het gaat bij een gewenste maatschappelijke reorganisatie niet alleen om bejaardenzorg. Heel hun positie is in het geding. Hier is een eerste eis versoepeling van de al te rigoureuze 65-jaar grens. Dit zou de bejaarden verlossen van de juridische dwangbuis, die hen thans op een volstrekt onnatuurlijke manier categoriseert en die clubs onvoldoende recht doet aan het concept van vrijheidsrechten waaronder wij geacht worden te leven en waar we in het algemeen zo prat op gaan. Aan bejaarden dient hier een eigen keus te worden teruggegeven, die hun nu juridisch ontfutseld is. Een grotere flexibiliteit is hier noodzakelijk, die een eind maakt aan de gedwongen uitschakeling op een bepaald tijdstip uit het arbeidsproces, ongeacht de wensen en capaciteiten van de bejaarden.