De rechter verduidelijkt

EEN HAARLEMSE PSYCHIATER is alsnog door de Hoge Raad veroordeeld - zij het zonder oplegging van straf - voor hulp bij zelfdoding van een pyschiatrische patient.

Rechtbank en gerechtshof hadden hem ontslagen van rechtsvervolging. Zij vonden dat hij voldoende zorgvuldig had gehandeld door deskundigen op afstand te raadplegen, de Hoge Raad eist een onafhankelijk tweede onderzoek. De boodschap is duidelijk: in gevallen van niet-lichamelijk lijden is “uitzonderlijk grote behoedzaamheid” geboden. De kans op vergissingen - of het sneller opgeven van patienten - is hier ook extra groot. Het voornaamste belang van de uitspraak is echter dat euthanasie of hulp bij zelfdoding in psychische gevallen niet categorisch is uitgezonderd van rechtvaardiging.

In 1984 opende de Hoge Raad de weg voor de strafrechtelijke rechtvaardiging van euthanasie in het geval van een zwaar zieke hoogbejaarde vrouw. Dat gebeurde onder toenemende signalen uit de samenleving dat de geldende strafwet als te knellend werd ervaren, terwijl de politiek twijfelde. Thans hakt het hoge rechtscollege de knoop door met betrekking tot een zwaar depressieve vrouw die alles had verloren. In het tussenliggende decennium is het publieke debat over de strafbaarheid van euthanasie en hulp bij zelfdoding verhevigd. Vorig jaar is ten slotte met veel moeite een wetswijziging tot stand gekomen. De Hoge Raad merkt met reden op dat dit slechts een procedurele regeling is die “geen materiele criteria verschaft”.

DAARVOOR KOMT TOCH weer de rechter in beeld. De Nederlandse traditie verzet zich er tegen dat deze uitspraken van algemene strekking geeft. Maar in dit geval was de Hoge Raad gezien de voorgeschiedenis geexcuseerd en heeft hij de medici met reden duidelijkheid verschaft. En passant zet het rechtscollege twee misverstanden recht die uit de parlementaire euthanasiedebatten zijn overgebleven. Het vereiste van een “second opinion” geldt alleen onverkort voor gevallen van geestelijk lijden, in somatische gevallen is het niet absoluut vereist een tweede arts in te schakelen. Ten tweede is er geen plaats voor de eis dat de stervensfase is ingetreden als zelfstandig criterium.

Over dit laatste was eerder dit jaar enige ongerustheid ontstaan. De minister van justitie ontkende dat er sprake was van aanscherping van het vervolgingsbeleid. De cijfers spraken andere taal. Het aantal door de medici gemelde zaken steeg van 581 in 1991 tot 1.323 vorig jaar, het aantal daarop gebaseerde strafvervolgingen van een tot veertien. Over twaalf van deze gevallen werd gezegd dat het onduidelijk was of het overlijden van de patient op korte termijn was te verwachten (al was wel sprake van een algeheel verval van krachten of zeer hoge ouderdom). Waar het om gaat is “de ernst en uitzichtloosheid” van het lijden, zegt de Hoge Raad nu kort en goed.

DAT DE Hoge Raad weigert akkoord te gaan met de stelling dat pyschisch lijden bij voorbaat de voor euthanasie vereiste vrijwilligheid uitsluit, bevat ook een belangrijke boodschap voor het geval van somatische patienten. Er bestaat in het algemeen een neiging aan de wilsuiting van een patient minder gewicht toe te kennen. Ziekte maakt een mens inderdaad “meer beklemd dan anderen”, zoals de gezondheidsjurist Leenen het heeft uitgedrukt. Maar dat is geen reden de wilsuiting minder serieus te nemen - of om te buigen naar een andere inhoud, zodat het ernstige verzoek om euthanasie wordt afgedaan als alleen een vraag om betere stervenshulp. Van de bestaande strafbaarstelling “dient onverminderd te worden uitgegaan”, is de conclusie die de Hoge Raad trekt uit het euthanasiedebat van de afgelopen tien jaar. Maar dit arrest bevestigt dat dit geen doel in zichzelf is doch een onderstreping van het zelfbeschikkingsrecht - ook van de zieke mens. kaderkop