Brief van Kosto over Gonsalves

Minister van justitie A. Kosto heeft vandaag de Tweede Kamer een brief gestuurd, in antwoord op de vragen die zijn gesteld naar aanleiding van het optreden van de toenmalige controleur Gonsalves in Nieuw-Guinea. Kosto conludeert dat niets een normaal functioneren van Gonsalves als procureur-generaal in de weg staat.

Hieronder volgt de tekst van de brief.

'Als vervolg op mijn brief aan u van 20 juni deel ik u het volgende mee. Mijn conclusies zijn gebaseerd op bestudering van de dossiers en op een uitvoerig en openhartig gesprek met de heer Gonsalves.

Historische feiten; oordeel regering in 1961

Naar het optreden van de heer Gonsalves in de Baliem is in 1960 door de procureur-generaal mr. G.W. von Meyenfeldt te Hollandia een justitieel onderzoek ingesteld. In zijn eindadvies aan de gouverneur van 5 december 1960 vermeldt de procureur-generaal als eindconclusie dat de heer Gonsalves buiten vervolging zou kunnen worden gelaten, indien bepaalde administratieve maatregelen tegen de gouverneur en de resident van Hollandia als chefs van de heer Gonsalves zouden worden getroffen. De procureur-generaal achtte het in de Baliem gevoerde bestuursbeleid onjuist. De toen voor het Nieuw-Guinea-beleid verantwoordelijke minister en staatssecretaris van binnenlandse zaken Toxopeus en Bot deelden dat oordeel van de procureur-generaal niet.

Wat het gewraakte optreden van de heer Gonsalves betreft, oordeelde de regering dat geen strafvervolging diende te worden ingesteld, aldus de eindconclusie van de procureur-generaal gedeeltelijk overnemend. Zij overwoog daarbij dat de controleur Gonsalves, die als eerste bestuursambtenaar in de Baliem de uitdrukkelijke opdracht kreeg op te treden tegen de wrede stammenoorlogen, onder buitengewoon moeilijke en bedreigende omstandigheden en met beperkte machtsmiddelen moest opereren. Het noodzakelijk krachtdadig optreden van de heer Gonsalves, aldus de regering, heeft ten gevolge gehad dat op korte termijn het aantal doden in de Baliem-vallei als gevolg van onderlinge moorden en oorlogen met verscheidene honderden per jaar is afgenomen. De staatssecretaris van binnenlandse zaken heeft bij brief van 18 januari 1961 voorzitters en leden van de Vaste Commissies voor Nederlands-Nieuw-Guinea van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal een geheime nota doen toekomen. Deze nota bevat een zeer uitvoerig relaas over de pacificatie van de Baliem-vallei en een onderzoek naar de gedragingen van de controleur Gonsalves, over het eindadvies van de procureur-generaal in de zaak-Gonsalves, over het optreden van de procureur-generaal tijdens en na het onderzoek, over voorstellen van de procureur-generaal inzake het justitie- en politiebeleid in Nederlands-Nieuw-Guinea, alsmede over de voorgenomen maatregelen ter coordinatie van de ontwikkeling van de nog niet onder volledig bestuur gebrachte gebieden. Enige dagen later is de beknopte samenvatting daarvan in een persbericht uitgegeven. De hier relevante conclusie inzake de sepot-beslissing in de zaak-Gonsalves luidt als volgt: “In overleg en volledige overeenstemming met de minister van binnenlandse zaken en de ondergetekende (is de staatssecretaris van binnenlandse zaken, A.K.) heeft de Gouverneur van Nederlands- Nieuw-Guinea bij brief van 6 januari 1960 (lees: 1961, A.K.) de procureur-generaal opgedragen op grond van art. 56 (1) R.O. (Reglement op de Rechterlijke Organisatie en het beleid der Justitie in Nederlands-Nieuw-Guinea) af te zien van een strafvervolging tegen de heer Gonsalves en derhalve de zaak te seponeren.”

Voor een goed begrip van de staatsrechtelijke verhoudingen vermeld ik dat de gouverneur, voor wiens optreden de minister en staatssecretaris van binnenlandse zaken politiek verantwoordelijk waren, de bevoegdheid - in Nederland toekomend aan de minister van justitie ingevolge art. 5 Wet R.O. - had de procureur-generaal bevelen te geven. Oordeel thans over het oordeel uit 1961. De procedure bij de beoordeling en beslissing van de toenmalige regering, gevolgd door het inlichten van de genoemde Kamercommissies, acht ik zorgvuldig. Het in het strafrecht bekende gezegde ne bis in idem - niemand mag opnieuw worden vervolgd voor een feit waarover de rechter heeft beslist - is naar mijn oordeel mutatis mutandis eveneens hier van toepassing. De regering is in 1961 tot bepaalde conclusie gekomen en heeft die aan de Staten-Generaal verantwoord. Daarmee hoort, tenzij nieuwe feiten bekend zouden zijn geworden - wat niet het geval is -, de zaak te zijn gesloten. Toch passen nog twee kanttekeningen. Ten eerste de vraag of dit koloniaal verleden een rol heeft gespeeld en zo ja, welke, bij de toetreding van de heer Gonsalves tot het openbaar ministerie en bij zijn verdere loopbaan daarin. Ten tweede de vraag die, meer nog dan een historisch oordeel over de beoordeling van de regering in 1961, anno 1994 met recht en reden kan worden gesteld, te weten: heeft de heer Gonsalves nog voldoende gezag voor verder functioneren in het hoge ambt van procureur-generaal bij een gerechtshof.

Rol verleden bij toetreding en verdere carriere in het OM

Bij de sollicitatie door de heer Gonsalves naar een functie bij het OM in 1962 is de kwestie uitdrukkelijk aan de orde geweest. Daarover is ook het oordeel van de toenmalige procureur-generaal bij de Hoge Raad, mr. G.E. Langemeyer, ingewonnen. Deze, die een belangrijk deel van het dossier in de zaak-Gonsalves kende, omdat de heer Von Meyenfeldt hem dat in 1960 had toegezonden met een bepaalde, hier niet ter zake doende vraagstelling, was van oordeel dat de feiten geen beletsel behoefden te vormen voor een benoeming van de heer Gonsalves. Deze zouden zijn inziens wegens noodweer (exces) niet tot een veroordeling hebben geleid. Mijn toenmalige ambtsvoorganger Beerman zag na bestudering van het dossier geen bezwaar tegen benoeming. Nadien is, voorzover ik weet, het Nieuw-Guinese optreden geen voorwerp van discussie meer geweest bij benoemingen van de heer Gonsalves (1979 hoofdofficier van justitie, 1986 procureur-generaal). Ik vind dit ook te billijken. Staat het licht op groen, dan hoort men niet onder levenslange restricties tot een ambtelijke dienst te worden toegelaten. Het is toelaten of niet, bij toelating staan, indien de kandidaat geschikt en bekwaam is, in beginsel alle functies open.

Doorfunctioneren mr. Gonsalves.

De vraag of de heer Gonsalves met een weliswaar belast, maar gezuiverd verleden dat bovendien niet pas nu, maar reeds in 1960 in het volle licht van de publiciteit heeft gestaan, als procureur-generaal verder kan functioneren, is in de eerste plaats een persoonlijke afweging. De heer Gonsalves acht dit geen beletsel. Ik respecteer zijn oordeel, mede verwijzend naar wat ik hiervoor over het ne bis in idem beginsel opmerkte. Ik weeg ook mee het argument dat niemand het slachtoffer behoort te worden van eenzijdig (tegen Gonsalves gerichte) publiciteit over oude, bekende feiten, waarover een bevoegde instantie een oordeel heeft uitgesproken.

Eindconclusie

Mijn eindconclusie is dat ik geen beletsel zie in het volledig verder functioneren van de heer Gonsalves als procureur-generaal bij het gerechtshof in Den Bosch.'