Bijna duizend gevangenen in actie tegen 'verraad' van hun eigen leiders; Hongerstaking van Palestijnen

JERUZALEM, 22 JUNI. Bijna duizend Palestijnse politieke gevangenen, die nog in Israelische gevangenissen vast zitten, zijn gisteren voor onbepaalde tijd in hongerstaking gegaan. Hun woede geldt ditmaal niet in de eerste plaats de Israeliërs, maar hun eigen Palestijnse leiders, door wie zij zich in de steek gelaten en verraden voelen. Zij hebben zelfs in een pamflet hun landgenoten verzocht alle feestelijkheden te boycotten ter gelegenheid van de op handen zijnde komst van Yasser Arafat naar Jericho en Gaza.

De kwestie van de politieke gevangenen speelt al weken - sinds het duidelijk werd dat Israel krachtens het op 4 mei gesloten Akkoord van Kairo slechts gebonden was “ongeveer vijfduizend gevangenen” binnen vijf weken uit de gevangenissen te ontslaan - en dan nog onder bepaalde voorwaarden. Over de rest van de gevangenen moet volgens het akkoord nog worden onderhandeld.

Volgens de Israelische militaire woordvoerder bevonden zich vóór 4 mei negenduizend Palestijnen in Israelische gevangenschap. Van hen zouden tot dusver 3.400 op vrije voeten zijn gesteld, 91 gewone misdadigers aan de politie van Gaza zijn overgedragen en 1.300 nog niet zijn vrijgelaten, omdat die laatsten weigerden de hun voorgelegde anti-terrorisme-verklaring te tekenen. Het Palestijnse Mandela-Instituut voor Mensenrechten stelt daarentegen het aantal Palestijnse gevangenen in Israel vóór 4 mei op meer dan tienduizend en het aantal vrijgelatenen op minder dan drieduizend.

Maar er is meer aan de hand dan ruzie over getallen. De restrictieve bepalingen voor de vrijlating van de gevangenen bieden de Palestijnse oppositie tegen Arafat een riante mogelijkheid om het toch al zeer omstreden Akkoord van Kairo aan de kaak te stellen. Pas eind mei bleek dat nog enkele duizenden politieke gevangenen voorlopig niet zouden worden vrijgelaten, terwijl zij die wél uit de gevangenis werden ontslagen, maar zich aan moord en andere ernstige misdrijven hadden schuldig gemaakt, voor de duur van hun nog resterende straf in de autonome gebieden zouden moeten blijven. Er brak een storm van verontwaardiging los, die om zich heen greep omdat elke gevangene wel kan rekenen op de steun en de sympathie van ten minste 15 familieleden. Bovendien zijn de politieke gevangenen voor vrijwel iedereen hier de vertegenwoordigers bij uitstek van Palestijns patriottisme en strijdbaarheid.

Vandaar, dat de Palestijnse leiding, zoals gebruikelijk in dit soort omstandigheden, haar handen in onschuld waste. Eerst beschuldigde zij de Israeliërs in alle toonaarden ervan het Akoord van Kairo naar letter en geest te schenden. Vervolgens probeerde zij - toen de protesten en de betogingen maar niet ophielden - haar ondergeschikten de schuld in de schoenen te schuiven. Zo werd de Palestijnse leider van de Liaison-commissie met Israel, brigade-generaal Ziad Atrash, vorige week naar Tunis ontboden. Hij moest zich ervoor verantwoorden dat hij erin had toegestemd de gevangenen bij hun vrijlating een belofte van goed gedrag te laten ondertekenen, de verplichting “om zich te onthouden van elke terroristische actie en geweld, en zich aan de wet te houden, alsmede het vredesproces te steunen”. Atrash zou inmiddels vervangen zijn.

Israel heeft nu de voorwaarde laten varen dat men het vredesproces moet steunen om vrijgelaten te worden, na protesten in eigen kring dat zulks een ondemocratische eis is, in strijd met de vrijheid van meningsuiting.

Intussen wordt de kwestie met de dag pijnlijker voor Arafat omdat een deel van de gevangenen aangesloten is bij zijn eigen Fatah-beweging. Vrijdag namen de vrouwelijke Fatah-gevangenen in de Telmond-gevangenis het voortouw. Ook zij vielen publiekelijk met name Nabil Sha'ath aan: “Wij hopen, oh belangrijkste Palestijnse onderhandelaar, dat deze woorden enig effect op jou zullen hebben (....) Wij zijn de vrouwelijke gevangenen van de (Palestijnse) Revolutie. Verdienen wij geen bescherming, geen vrijheid? (...) Wat is er met jou gebeurd? Je hebt onderhandeld zonder onze steun. Je hebt zwakke overeenkomsten getekend zonder met ons rekening te houden. Wie gaf je daartoe het recht? Waarom zitten we nog steeds in de gevangenis?” Hun open brief vormde de aanleiding voor een aantal respectabele Palestijnse instellingen, zoals de mensenrechten-organisaties Al Haq en het Mandela-Instituut, om een gezamenlijke commissie te vormen die voor hun vrijlating ijvert.

Gisteren verscheen in Jeruzalem een pamflet, getekend door 'De (manlijke) Gevangenen van Fatah in Israelische Gevangenschap'. Zij riepen de bevolking op de feestelijkheden ter gelegenheid van Arafats terugkeer te boycotten, of “als je er wel aan deelneemt, de feestelijke feer te verstoren door het hijsen van zwarte vlaggen”.

Het pamflet vervolgde: “Wij roepen hiertoe niet op omdat wij niet blij zijn met de terugkeer van de Leider. Wij hebben jarenlang van Abu Amars (Arafat) terugkeer naar zijn vaderland gedroomd. Maar we hadden nooit kunnen bedenken dat hij zou terugkeren, terwijl zijn strijders in de gevangenissen zuchten. Wij hopen dat hij weigert terug te keren, zolang zijn zonen nog worden vastgehouden (...) en niet omdat de donorlanden hun beloftes aan het Nationale Bestuur nog niet hebben ingelost. Geld is belangrijk, maar het is niet belangrijker dan de mens - het grootste goed van deze Revolutie.”

Welingelichte Palestijnse kringen waren gistermiddag van mening dat de kwestie van de politieke gevangenen thans de problemen tussen Arafat en de donorlanden over de besteding van de hem toegezegde gelden ruim overtreft. Inderdaad zou hij niet naar Jericho kunnen terugkeren, als hij - naast buidels geld om uit te delen - geen reëel cadeau inzake de politieke gevangenen bij zich heeft.