Voorzitter universiteit Leiden moet aftreden

ZOETERMEER, 21 JUNI. Collegevoorzitter C. Oomen van de Leidse Universiteit moet aftreden. Staatssecretaris Cohen (hoger onderwijs) heeft hem gisteren gevraagd op te stappen wegens de verstoorde verhouding met de Leidse universiteitsraad door de affaire rond de mislukte bouw van een laboratorium. Cohen zal voorlopig ook de bevoegdheden van de universiteitsraad beperken.

Het ontslag van Oomen wordt niet rechtvaardigd door de bouw-affaire “geheel op zichzelf beschouwd”, maar wel door het gebrek aan vertrouwen in hem bij de meerderheid van de universiteitsraad, bij de dekanen en bij delen van het bureau van de universiteit, aldus de tijdelijke adviescommissie die onder leiding van SER-voorzitter Th. Quené namens de staatssecretaris de Leidse crisis heeft onderzocht. Het gisteren gepubliceerde rapport wordt geheel door Cohen onderschreven. Aan de twee andere leden van het college van bestuur, die hebben gezegd op te stappen als Oomen weg moet, heeft Cohen gevraagd aan te blijven.

De Leidse universiteitsraad zal tijdelijk - “voorlopig enige maanden”, volgens een woordvoerder van het ministerie - slechts adviserende bevoegdheden hebben. De besluitvormende bevoegdheden worden geschorst. De controle van het college van bestuur zal worden waargenomen door een tijdelijke, door Cohen te benoemen Raad van toezicht. Ook zal een tijdelijke collegevoorzitter worden aangesteld.

Volgens Cohen en de commissie heeft de universiteitsraad verwijtbaar gehandeld door zich in de Annex-affaire te eenzijdig te richten op zijn controlerende taken en de verantwoordelijkheid als medebesturend orgaan uit het oog te verliezen. De commissie prijst overigens het standpunt van de meeste studentleden in de raad, die wel voldoende oog hadden “voor de in breder verband relevante aspecten van de Annexzaak”. Het is voor het eerst sinds 1983 dat de regering direct ingrijpt in het bestuur van een universiteit. In dat jaar schorste minister Deetman de universiteitsraad van Delft voor een jaar na een conflict met het college van bestuur.

De affaire in Leiden begon in 1993 toen bleek dat bij de bouw van een tijdelijk extra laboratorium voor de geneeskundefaculteit (de 'Annex') ernstige bestuurlijke fouten waren gemaakt. De projectontwikkelaar bleek malafide en is inmiddels failliet verklaard. De universiteitsraad vreest dat de onderaannemer en de betrokken bank hun schade van vele miljoenen guldens op de universiteit zullen kunnen verhalen. De onderzoekscommissie noemt het “verbijsterend” dat het college de reorganisatie van de gebrekkig functionerende bureaucratie van de universiteit zo lang heeft uitgesteld.

De commissie-Quené stelt in het rapport ook de universitaire bestuursstructuur in het algemeen ter discussie. Ze vraagt zich af of de nu 25 jaar oude structuur nog is toegesneden op de eisen die aan de nu meer zelfstandige 'ondernemende universiteit' worden gesteld. Volgens Cohen moet deze vraag worden beantwoord door het volgende kabinet.