Terug naar de antithese

Een goed stuk van Van Gennip in de Volkskrant, zei een vriend onlangs tegen me. O ja? Ik had het wel gezien, maar niet gelezen. Bij een eerste oogopslag was mij namelijk al het hoge CDA-gehalte van het artikel opgevallen, en bij dat soort proza krijg ik subiet een aanval van wat Kissinger eens noemde MEGO (my eyes glaze over - mijn ogen worden glazig).

Maar aangezien ik waarde hecht aan het oordeel van mijn vriend, heb ik het opnieuw geprobeerd en het artikel tot het einde uitgelezen. Ik bleef het een echt CDA-stuk vinden, maar dat is ook geen wonder: de auteur, dr. J.J.A.M. van Gennip, is directeur van het wetenschappelijk instituut voor het CDA.

De cultuur die uit het artikel spreekt, is niet de mijne; maar dat mag geen reden zijn er de schouders over op te halen. Niet alleen heeft de CDA-cultuur - overigens een verzameling van op z'n minst drie culturen - recht van bestaan, maar bovendien vindt nog 30,8 procent van de bevolking zich erin thuis.

Die 30,8 procent is het percentage dat het CDA bij de Europese verkiezingen van 9 juni haalde. Dat getal is geflatteerd, want bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer kreeg het CDA op 3 mei slechts 22,2 procent. Niettemin: tussen die twee percentages schommelt de aanhang van het CDA. Die is dus nog aanzienlijk.

Aanzienlijk, maar ook aanzienlijk minder dan die aanhang nog in 1989 was. Toen haalde het CDA 35,3 procent. Die tuimeling van 35,3 op 22,2 procent maakt dat het CDA voor het eerst in de geschiedenis niet betrokken is bij de kabinetsformatie. Het moet zich instellen op een oppositierol, een rol die het niet gewend is. Bovendien: als paars aan de regering mocht komen, zal misschien blijken dat er voor het CDA niet zo veel te opponeren valt.

Reden te over dus voor het CDA om zich op eigen positie, identiteit, ja reden van bestaan te bezinnen. En daartoe doet Van Gennip in zijn artikel in de Volkskrant van 11 juni een eerste poging, een poging die, omdat het over een nog aanzienlijk deel van de bevolking - als men wil: van onze cultuur - gaat, ernstig genomen moet worden.

Een van de pijlers van de “nieuwe positionering van de christen-democratie” betreft, volgens Van Gennip, “de zorg voor het behoud van de levensbeschouwelijke pluriformiteit in onze samenleving”. Is die pluriformiteit dan in gevaar? Van Gennips antwoord hierop is niet een direct ja, maar uit zijn artikel is dit ja wel op te maken. Immers:

Het CDA moet een “tegenantwoord” geven op “de moderne cultuur, zoals die over ons heen dendert”. En waardoor wordt die cultuur gekenmerkt? Door “zaken als emancipatie, individualisering, en ook secularisering, maar ook al die andere ingrediënten van de moderne cultuur, zoals de massamedia, de urbanisering, de commercialisatie, de globalisering van de informatievoorziening, leefstijlen en kunstuitingen”.

Dat tegenantwoord van het CDA moet worden geformuleerd “ten minste inzake de mogelijkheid en wenselijkheid van een alternatieve overdracht van levensopvattingen en waarden; ten minste ook op het terrein van de normering van de technologie; en ten minste moet een antwoord gegeven worden op de vraag, hoe de leegte, de kou in de moderne samenleving aangepakt wordt”.

Het is hier dat het CDA-gehalte van Van Gennips taal bijzonder hoog is. Het is meer suggereren dan preciseren, maar de goede lezer begrijpt wel enigszins wat hij bedoelt. Echt duidelijk wordt de schrijver pas in deze passage:

“Zonder alternatief loopt die cultuur” - dat is de moderne cultuur waarop het CDA het tegenantwoord moet geven - “vast in onvrijheid en onmenselijkheid.” Het is niet gering waarvan Van Gennip hier de aanhangers van andere partijen dan het CDA beticht: zonder CDA voeren zij de samenleving, willens nillens, naar de onvrijheid en onmenselijkheid.

In lang vervlogen tijden was het 't socialisme dat, volgens de kerken, onherroepelijk naar dat verderf leidde. Het bisschoppelijk mandement van 1954 was een laatste naklank van deze filosofie. Maar nu worden ook - zij het niet met zoveel woorden - de liberalen van VVD en D66 onder de wegbereiders van onvrijheid en onmenselijkheid gerangschikt, want die zijn immers ook exponenten van die moderne cultuur?

Wat moet nu het tegenantwoord inhouden dat onze samenleving van dat gevaar moet redden? Er is “brede erkenning dat anonimiteit en collectivisering gecorrigeerd dienen te worden in herstel van verantwoordelijkheid van de menselijke persoon” (een pleonasme of zit daar iets meer achter?) “en participatie in een herkenbare samenleving”.

Er is zeker reden zich zorgen te maken over de groeiende anomimiteit en collectivisering van de samenleving, en de individu weer meer verantwoordelijkheid te laten dragen, maar maken niet ook de liberalen zich daar zorgen over? En die rekent Van Gennip nu juist tot de cultuur die, zonder CDA-correctief, zal vastlopen in onvrijheid en onmenselijkheid.

Dit lijkt niet de beste opening voor de “kritische dialoog” waartoe Van Gennip oproept (of bedoelt hij daarmee een dialoog uitsluitend binnen het CDA?), maar het lijkt wel een voorafschaduwing van de “nieuwe positionering” van een partij in de oppositie. Terug naar Abraham Kuijpers antithese tussen christenen en paganisten. Daar valt overigens, intellectueel gesproken, wel iets voor te zeggen.