Tekort aan bloeddonoren bij voorkomen van rhesusbaby's

AMSTERDAM, 21 JUNI. Er zijn veel meer speciale bloeddonoren nodig om de groei tegen te gaan van het aantal rhesusbaby's in de toekomst tegen te gaan. In Nederland is nu onvoldoende bloedplasma aanwezig voor de bereiding van de zogenoemde 'rhesusprik'. Deze prik speelt een sleutelrol bij het voorkómen van rhesusbaby's, die direct na de geboorte doodziek worden doordat afweerstoffen van de moeder hun rode bloedcellen vernietigen.

Dit staat in het vandaag gepresenteerde jaarverslag 1993 van het centraal laboratorium van de bloedtransfusiedienst van het Nederlandse Rode Kruis (CLB). Het huidige aantal van 200 plasmadonoren is te laag omdat uiteindelijk niet iedere donor geschikt is of voldoende antistoffen aanmaakt. Een donor kan ongeveer tien keer per jaar plasma geven. In 1994 zouden 500 donors nodig zijn. De hoeveelheid Nederlands plasma dat nu wordt verzameld is een kwart van de hoeveelheid die nodig is om de bijna 20.000 rhesus negatieve zwangere vrouwen te kunnen behandelen. Voor het overige deel is men afhankelijk van Britse donoren.

Het CLB heeft enkele jaren geleden het plasmadonorprogramma stil gelegd omdat er onzekerheid bestond over de absolute veiligheid van het toegediende bloed. Men vreesde dat de bloedcellen besmet konden zijn met virussen als HIV (dat aids kan veroorzaken), hepatitis B of C en andere infectieziektes. Volgens de arts P.F.W. Strengers, hoofd Klinische Brugafdeling van het CLB, zijn de veiligheidsmaatregelen nu echter optimaal en kan men de donor praktisch 100 procent veiligheid garanderen.

De rhesus antistoffen die nodig zijn voor de bereiding van de rhesusprik, komen slechts bij twee groepen mensen voor: vrouwen die zelf een rhesuskind hebben gehad of rhesus negatieve mannen en vrouwen van 45 jaar en ouder waarbij kunstmatig antistofvorming is opgewekt.

De bloedgroep van de ouders speelt bij de geboorte van een kind een heel belangrijke rol. Bloedgroepen bestaan niet alleen uit A, B, AB en O, maar worden ook onderscheiden naar rhesus positief (85 procent van de bevolking) en -negatief (genoemd naar de rhesusaap waarmee geëxperimenteerd is). Bij bloedtransfusies moet men daar ernstig rekening mee houden, omdat de beide bloedgroepen elkaar niet verdragen. De rhesusfactor is overerfbaar. Een rhesus positieve vader kan die eigenschap overdragen op zijn kind, terwijl de moeder rhesusnegatief kan zijn.

Als een rhesus negatieve vrouw zwanger raakt van een rhesus positief kind kunnen vooral bij de geboorte rode bloedcellen van het kind in de bloedsomloop van de moeder terechtkomen. De moeder bouwt tegen deze rode bloedcellen antistoffen op die zeer schadelijk kunnen zijn voor volgende kinderen. Bij een volgende zwangerschap vernietigt de moeder met haar antistoffen de rode bloedcellen van het kind. Reeds voor de geboorte kan dit tot de dood van het kind leiden. Door de afbraak van de rode bloedcellen van het kind kunnen ook stoornissen ontstaan in de jonge hersenen waardoor de rhesusbaby motorisch gehandicapt raakt. Door direct na de bevalling aan de moeder de rhesusprik toe te dienen, kunnen de positieve rode bloedcellen van het kind die in het bloed van de moeder terecht zijn gekomen, onschadelijk worden gemaakt.