'Serviërs hebben in Bosnië genocide gepleegd'

Deze week buigt de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zich over het eindverslag van de VN-commissie die onderzoek heeft verricht naar oorlogsmisdaden in ex-Joegoslavië. Een van de belangrijkste conclusies van het rapport is volgens het Nederlandse lid prof. mr. TINEKE CLEIREN dat de Serviërs zich schuldig hebben gemaakt aan genocide en aan systematische oorlogsmisdrijven.

'Systematiek is bij misdrijven moslims en Kroaten niet aantoonbaar, bij Serviërs wel'

ROTTERDAM, 21 JUNI. Een eindrapport van zestig pagina's, drieduizend pagina's bijlagen en zestigduizend dossiers: “de fragmenten van de oorlog”, zo noemt prof. mr. C.P.M. Cleiren (39) van de Rotterdamse Erasmus-universiteit het resultaat van het werk van de speciale VN-commissie voor het onderzoek naar oorlogsmisdaden in ex-Joegoslavië, waarvan ze sinds het aftreden van prof. Kalshoven in oktober vorig jaar lid is geweest.

Welke harde conclusies die “fragmenten van de oorlog” opleveren kan zij formeel gesproken nog niet zeggen: eerst moet de secretaris-generaal van de VN, Boutros Boutros-Ghali, het eindrapport aan de Veiligheidsraad voorleggen. Maar dat het rapport de conclusie wettigt dat in Kroatië en Bosnië genocide is gepleegd en dat er sprake is geweest van systematische oorlogsmisdaden - daarvan is ze overtuigd; net zoals ze vindt dat de bijlagen en de dossiers zinnig bewijsmateriaal vormen waarmee de openbare aanklager van het VN-tribunaal voor de berechting van oorlogsmisdadigers aan de slag kan.

Het lijkt op het eerste gezicht vreemd dat de commissie haar werk beëindigt nog voor er een eind is gemaakt aan de oorlog: de strijd mag zijn geluwd, er worden in Bosnië nog steeds oorlogsmisdaden gepleegd. Cleiren: “Zo vreemd is het niet. Toen de commissie begon, was het VN-tribunaal er nog niet. Toen het er kwam, kreeg het een mandaat dat het onze overlapte. De aanklager van het tribunaal moet immers bewijs verzamelen voor de berechting van oorlogsmisdaden - werk dat wij ook deden. Onze taak kan als voorbereidend worden beschouwd.”

De drieduizend pagina's bijlagen bestaan uit analyses, juridische studies, studies over de bevels- en commandostructuren van de strijdende partijen en feitenonderzoek. De 60.000 documenten zijn het feitenmateriaal. Cleiren: “Het zijn goeddeels ongeverifieerde documenten, variërend van getuigenverklaringen van daders en slachtoffers tot artikelen in Servische kranten tot rapporten van Amnesty International.” Het geheel gecomputeriseerde materiaal kan, zegt ze, als aanknopingspunt voor verder onderzoek van de openbare aanklager bij het VN-tribunaal dienen.

Een belangrijk probleem dat de commissie heeft moeten belichten is de vraag welk recht eigenlijk van toepassing is op welke van de oorlogsmisdaden in ex-Joegoslavië: de Geneefse conventies, het internationale oorlogsrecht, dat over misdrijven tegen de menselijkheid of de genocideverdragen. Cleiren: “De Geneefse conventies zijn alleen toepasbaar in een internationaal conflict. Maar in hoeverre was daar sprake van met republieken die zichzelf eenzijdig onafhankelijk verklaarden en die op het tijdstip van de misdrijven soms wel en soms niet internationaal waren erkend?” De commissie, zegt ze, is tot de conclusie gekomen dat het internationale tribunaal zelf voor elk misdrijf afzonderlijk moet beoordelen welk recht toepasselijk is, op basis van de plaats waar en het tijdstip waarop het werd gepleegd. “Voor misdrijven tegen de menselijkheid moet systematiek en een wijde verbreiding en aldus een zekere betrokkenheid van de staat worden bewezen. Als dat voor een bepaald misdrijf niet kan worden bewezen, kan het misschien wel onder een ander recht vallen.”

Dit vraagstuk wordt afgehandeld in een van de vier hoofdstukken van het eindverslag. De andere drie hebben betrekking op het mandaat waarmee de commissie haar werk heeft verricht, de militaire structuur bij de strijdende partijen en tenslotte de fact finding van de commissie: concrete studies naar misdrijven die zijn gepleegd in Sarajevo en in de Kroatische Krajina, naar de detentiekampen van de strijdende partijen, naar het seksuele geweld, naar de verwoesting van cultureel erfgoed en naar de oorlogsmisdaden die zijn gepleegd in Prijedor, in het door de Bosnische Serviërs veroverde noorden van Bosnië.

Vooral deze laatste case study, zegt Cleiren, levert de brede conclusies op over de systematiek van de oorlogsmisdaden en de gepleegde genocide. “De andere hoofdstukken betreffen vaak het zoeken naar de speld in de hooiberg. In het geval van Prijedor ging het echter om concrete bewijzen.” Aan de hand van vierhonderd getuigenverklaringen kon de commissie aantonen dat “zeer waarschijnlijk” sprake is geweest van systematiek bij de etnische zuivering en van genocide door de Serviërs. Cleiren: “Een juridisch bewijs kan de commissie voor die vaststelling niet leveren: dat moeten de rechters van het internationale tribunaal doen.” Maar dat het materiaal die conclusie rechtvaardigt, staat voor de Rotterdamse hoogleraar vast.

Ook de moslims en de Kroaten hebben oorlogsmisdaden gepleegd, zegt ze. “Maar bij hen kan noch genocide, noch systematiek worden aangetoond, bij hen is veeleer sprake van reageren op daden van de tegenstanders en van incidentele misdaden.”

Uit het materiaal uit en over Prijedor, zegt ze, wordt “de opbouw” van de terreur duidelijk: “Eerst werden de moslims naar huis gestuurd omdat er zogenaamd geen werk meer was. Na twee maanden werden ze voor de keus gesteld dienst te nemen in het leger of te worden ontslagen. De machines van de fabriek waren toen al verkocht, zodat duidelijk is dat men die vanaf het begin heeft willen sluiten. De meeste moslims weigerden dienst te nemen en kwamen inderdaad op straat te staan. Na een week werden ze opgepakt en in kampen opgesloten; hun vrouwen werden gedwongen in bordelen te gaan werken. Wie toen nog was achtergebleven, werd vervolgens weggepest en gedwongen - op voorgedrukte formulieren - verklaringen te ondertekenen waarin ze hun bezittingen afstonden aan Serviërs.”

Uit dit alles, zegt Cleiren, spreekt maar één ding: systematiek en stelselmatigheid. Dat geldt, zegt ze, ook voor het gebruik van de kampen. “De moslims en Kroaten hebben detentiecentra ingericht in naaiateliers. Dat wijst niet op systematiek. De Serviërs bouwden hun kampen - in Prijedor alleen al vijf - zo goed als onbewoonde gebieden. Dat wijst wèl op systematiek.”

Dat er in Prijedor sprake is geweest van genocide staat volgens Cleiren ook vast. Daarvoor hoeft juridisch niet eens stelselmatigheid te worden bewezen: “Het gaat om de intent to destroy, om de bedoeling een ander ras of een andere nationaliteit te vernietigen. En dat die bedoeling er was blijkt uit de informatie die we hebben verzameld.”

De commissie is er niet in geslaagd “harde getuigenverklaringen” te verkrijgen die bewijzen dat in Bosnië of Kroatië oorlogsmisdaden zijn gepleegd op uitdrukkelijk bevel van de politieke of militaire top; ook schriftelijke bewijzen zijn op dat gebied niet gevonden: “De Serviërs hebben weinig op papier gezet”. Verdachten die vastzitten op verdenking van oorlogsmisdaden, zoals de Serviër Dušan Tadic die in februari door de Duitse autoriteiten is aangehouden, zijn door de commissie niet ondervraagd: “Toen hij werd aangehouden was er al een openbare aanklager bij het VN-tribunaal benoemd. Het was toen voor ons niet opportuun meer met hem te praten.” Het materiaal van de commissie, zo voegt ze daaraan toe, bevat echter wel veel materiaal over deze Tadic, die in een van de Servische kampen heeft gewerkt.

Er zijn echter ook zonder die harde getuigenverklaringen genoeg aanwijzingen, zegt Cleiren, dat er sprake is geweest van een bepaalde structuur. Dat blijkt volgens haar al uit de manier waarop vooral de Servische leiding het historisch besef onder de Serviërs - over bijvoorbeeld de vermeende wandaden van moslims in een vaak eeuwenoud verleden - hebben misbruikt: “Ze hebben de rol van de moslims bewust ter discussie gesteld en daarmee een sfeer geschapen waarin terreur mogelijk werd. Dat scheppen van die sfeer is van grote invloed geweest op de geweldsuitoefening: veel geweld is voortgekomen uit dat historische besef.”

Een half jaar werk voor de commissie heeft Tineke Cleiren niet onberoerd gelaten: de oorlog, zegt ze, is wel erg dichtbij gekomen “Veel vertrouwen in de mensheid en de menselijke beschaving heb ik niet meer.” Maar afstompend heeft het niet gewerkt: “Je wordt er niet hard van. Je wordt er eerder voorzichtig van: het besef dringt zich op dat zulke dingen ook hier kunnen gebeuren.” En er is voor haar één troost: “Als jurist heb ik tenminste het gevoel dat ik er iets aan kan doen. Bij al dat verschrikkelijks is er tenminste het besef: er zijn rechtsnormen van toepassing. Ik weet: het blijft allemaal fragmentarisch, maar ik heb toch de hoop als jurist naar buiten te kunnen brengen dat dergelijke gruweldaden niet mogen worden geaccepteerd.”