Rijksmusea willen extra geld voor privatisering

AMSTERDAM, 21 JUNI. De 21 rijksmuseale instellingen, die binnenkort zelfstandig worden, willen extra financiële steun om de budgettaire problemen het hoofd te kunnen bieden. De musea pleiten ervoor ten minste de afdracht van entreegelden aan het ministerie van financiën af te schaffen, een jaarlijks bedrag van ongeveer 10 miljoen gulden. Dat schrijven de musea in een brief aan drs. G. van Aardenne, één van de drie informateurs.

Op 1 juli wordt de eerste groep van zes rijksmusea verzelfstandigd, de andere 11 musea en 4 diensten volgen enige maanden later. Hun startpositie is echter slecht, zo stellen zij. “De huidige achterstanden worden onvoldoende opgelost om de rijksmusea een gezonde basis te verschaffen voor een succesvolle verzelfstandiging”, aldus de brief, die is ondertekend door prof. dr. H.W. van Os, algemeen directeur van het Rijksmuseum Amsterdam en voorzitter van de Vereniging van Rijksgesubsidieerde Musea i.o.. In de brief wordt het totaalbedrag van de financieringsproblemen geschat op meer dan 150 miljoen gulden. Een deel daarvan bestaat uit eenmalige, een deel uit jaarlijks terugkerende kosten.

De oorzaak van de problemen ligt volgens de brief deels in de extra kosten die gepaard gaan met de verzelfstandiging, deels in vroegere bezuinigingsrondes, onder andere door het niet toekennen van prijscompensaties. De overgang naar een nieuw financieringssysteem maakt een achterstand in afschrijvingen zichtbaar van ongeveer 40 miljoen. De musea kampen met achterstanden in onderhoud van monumentale gebouwen die op meer dan 100 miljoen worden geschat. In het Deltaplan en door de Tweede Kamer is er weliswaar op aangedrongen dat de Rijksgebouwendienst de gebouwen in goede staat zou afleveren, maar volgens een woordvoerder van het museum heeft de RGD daar niet voldoende middelen voor en worden de kosten nu doorgeschoven naar de musea. Door verschillende bezuinigingsrondes zijn volgens de brief de budgetten van de musea sterk uitgehold. Dat komt vooral tot uiting in het ontbreken van de middelen om museale presentaties tijdig te vernieuwen. Hiervoor is jaarlijks ongeveer 10 miljoen gulden nodig. Daarnaast moeten de musea ook de wachtgeldkosten voor hun rekening gaan nemen, zonder daarvoor extra geld te ontvangen, een bedrag van ongeveer vier ton. De verzelfstandiging zelf leidt tot extra personeelslasten van twee miljoen.