Rattig en zwerfkattig

Hollands Maandblad 1994-5/6. Veen, 62 blz. ƒ 12,50

“Het is voor een vertaler een pervers want niet te bevredigen genoegen zich te meten met het 17de-eeuwse Frans dat Saint-Simon schrijft, en dat volgens kenners zelfs nog archaïserend is; de aarts reactionaire en van trots naast zijn schoenen lopende kleine miezerd kan zich op papier in zulke bochten wringen dat zijn zinnen visueel zouden zijn weer te geven als stukjes plattegrond van het 17de-eeuws Parijs: een doolhof van binnenplaatsen en korte steegjes, elk op zichzelf overzichtelijk simpel, smal en diep, met een heel eigen geur en lichtval, maar zo onverwacht scherp of haaks in elkaar overgaand dat ze onnavolgbaar eigenzinnig uitwaaieren binnen dat kleine bestek. Het stinkt er vaak. Het clair-obscur is dramatisch. De mensen - hoeveel rijkdom en aanzien ze ook belichamen, hoe beeldschoon hun fysieke masker soms ook is - zijn rattig, zwerfkattig, erbarmelijk voos en sterfelijk, slaaf van afgunst, schraapzucht, eenzaamheid.”

Voor een lezer is het proza van vertaalster Anneke Brassinga een nauwelijks uit te putten bron van genot. In Hollands Maandblad schetst ze het leven van hertog de Saint-Simon (1675-1755), waarnemer aan het hof van Versailles, lezer, danser, eter, geweten, en schrijver van 8000 pagina's Mémoires. Brassinga merkt op dat de 'memorialist' een bijzondere aandacht voor het ontluisterende detail, de verhulde zonde en het menselijk kwaad toont. “Over Louis XIV vertelt Saint-Simon dat hij een gat in het verhemelte had (veroorzaakt door het bruut trekken van een kies), waaruit etter en stank welde en dat de hovelingen, toekijkend bij zijn maaltijd, soms in de gelegenheid stelde het eten en drinken door zijn neus weer naar buiten te zien komen.” Ze citeert smullend Saint-Simons beschrijving van maarschalk de Vendôme, die zijn gasten placht te ontvangen terwijl hij op een kakstoel gezeten was - “Op diezelfde stoel ontbeet hij overvloedig, vaak met twee, drie getrouwen, en scheet niet minder overvloedig, al etend, luisterend of orders uitdelend; steevast omringd door een schare toeschouwers. Hij scheet veel; wanneer de pot boordevol was, werd die onder ieders neus weggedragen en geleegd, vaak meer dan eens.”

Veel lichamelijkheid vinden we ook in de bijdrage van psycholoog Paul Casparie over Richard Rorty, Freud, en de verschillende ikken huizend in één menselijk lichaam. In een uitloopje van zijn artikel legt Casparie zijn ergernissen bloot: joggers, dikke dames in strakke leggings, gepensioneerde mannen in korte broeken, de 'lichaamstaal' van gestresste werknemers in de ziektewet.

Nóg een psycholoog: Vittorio V. Busato schrijft over Jaap van Heerden en de cognitief-psychologische roman, zijn bijdrage vervolmakend met 'De biecht - een kort cognitief verhaal'.

Toch krijgt het lichaam in dit dubbelnummer verreweg de meeste speelruimte. Van een epileptisch schokkende jongen (Joris Denoo) tot een meisje met een half afgebeten tong bij Bart Beijer.