Pleidooi voor Euro-kerngroep ligt voor de hand

Paul Scheffer analyseert met zijn gebruikelijke grondigheid de verhouding democratie - Europese integratie en komt tot de conclusie dat er een grens is aan de overdracht van bevoegdheden naar 'Brussel', namelijk daar waar de schaalvergroting het onmogelijk maakt om nog een door de burgers gedragen democratisch besluitvormingsproces te laten functioneren (NRC Handelsblad, 8 juni). Voorbij het punt waarop dat mogelijk is, moet men - ook als dat een effectiever beleid zou opleveren - afzien van verdere integratie, want dan haakt de burger af en verschanst zich in populistische wrok.

Waar ligt dan die grens? “Democratie speelt zich nog grotendeels af binnen de grenzen van nationale staten. Noch de politieke, noch de culturele voorwaarden van natievorming in de Europese Unie zijn vervuld of zullen binnen afzienbare termijn vervuld worden. Het Europees Parlement blijft een vertegenwoordiging zonder volk en een parlement zonder regering.” Aldus Scheffer. De grens ligt dus heel dicht bij huis: eigenlijk is buiten de historisch gegroeide nationale parlementen geen democratie, en dus ook geen verantwoorde Europese integratie mogelijk. Paul Kapteyn had al op 3 juni op dezelfde plaats gepleit voor het opheffen van het Europese Parlement, dat vervangen zou kunnen worden door een vertegenwoordiging van de nationale parlementen.

Twintig jaar geleden behoorde juist Nederland, daarin gesteund door de Benelux-partners, tot de fervente pleitbezorgers van de directe verkiezing van het Europese Parlement. Het duurde echter nog tot 1979 voordat de directe verkiezingen voor het eerst gehouden konden worden.

Eén van de eerste presidenten van dat direct gekozen Europese Parlement werd onze landgenoot Piet Dankert, de tegenwoordige staatssecretaris voor Europese Zaken. Maar de euforie was al geruime tijd weggeëbd. En nu behoort ons land tot de laagst scorende in opkomstcijfers, 35 procent tegenover een Europees gemiddelde van ruim 56 procent. Algemeen wordt opgemerkt dat de Europese verkiezingen in feite over nationale thema's werden bevochten, maar in bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland was dat toch minder het geval dan bij ons, waar van een debat over de toekomst van Europa helemaal geen sprake is geweest (en bij de kabinetsformatie, voorzover na te gaan, ook geen sprake is). Nederland bevindt zich wat dit betreft in een perifere, excentrieke positie.

J.L. Heldring ('Dezer Dagen' van 8 juni) oppert dat het Nederlandse volk, als gevolg van een honderdjarige neutraliteit, nooit heeft leren nadenken over internationale politiek, behalve in theoretische constructies: Europa was lange tijd een theoretische constructie - en is dat grotendeels nog. Nu, als Heldring op dit laatste punt gelijk heeft, dan behoeft Scheffer zich geen zorgen te maken, want dan is er in de reële wereld weinig of niets aan de hand, en zeker geen gevaar voor de democratie. En dan zou Nederland zich ook niet zo druk behoeven te maken over de vraag wie de volgende voorzitter van de Europese Commissie wordt.

Het jongste nummer van The Economist heeft heel kernachtig uitgedrukt waar het bij de Europese integratie om gaat: “The Union exists to sustain a combination of prosperity and security in Europe that is arguably without rival on such a scale anywhere in the world.” Als Nederlander zou ik daraan toevoegen: “in het kader van een rechtsgemeenschap gebaseerd op solidariteit”.

Prosperity? Mocht het economisch tegenzitten voor een langere periode dan is er niets meer waarop de rechtvaardiging van de Europese instituties berust; en dat is precies wat we nu zien, aldus Scheffer. Gezegend de generatie die geen herinnering heeft aan de grote crisis van de jaren dertig en de misère veroorzaakt door het in zichzelf keren van de ene na de andere natiestaat, zich afschermend met protectionistische maatregelen, contractie van de wereldhandel teweegbrengend, competitief devaluerend en betalingsverkeer aan banden leggend! En die ook niet weet dat de Benelux-staten, 'avant la lettre', vergeefs poogden tezamen die vicieuze cirkel te doorbreken maar daarin door de grote mogendheden van die tijd werden gefrustreerd.

Minder vergoelijkend kan men zijn jegens degenen die de subsidiariteit hoog in het vaandel voeren, maar niet uitleggen dat - men leze het recente OESO-rapport, en het Witboek van de Europese Commissie van december 1993, erop na - het doorbreken van de rigiditeiten die de Europese arbeidsmarkten en sociale stelsels onbeheersbaar maken een zaak is van nationale, niet van Europese regelgeving; zoals wel duidelijk blijkt als men ziet welke onderwerpen bij de kabinetsformatie wekenlang aan de orde zijn. Maar als deze koerscorrectie niet plaats zou vinden binnen het bestek van de Europese binnenmarkt, zou zij een slag in de lucht kunnen blijken, verspilde inspanning. Zo is ook alles wat die binnenmarkt consolideert verbetering, tot en met de monetaire unie, uiteraard onder de juiste voorwaarden. Scheffer vraagt zich af, of zo'n monetaire unie niet een stap te ver is, die bij gebrek aan democratische controle populistische wrok tegen Europa kan opwekken als het economisch tij weer eens tegenzit. Als deze veronderstelling juist is, had zich in Nederland de afgelopen jaren heel wat populistische wrok moeten manifesteren over de Bundesbank, terwijl in een monetaire unie ons land bovendien wèl een stem in het kapittel zou hebben, hetgeen bij de Bundesbank uiteraard niet het geval is.

Het tweede trefwoord van The Economist, 'security', geeft tot weinig bevredigende beschouwingen aanleiding. Pas sinds november 1993 pretenderen de leden van de Europese Unie een 'gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid' op te zetten: toen is namelijk het verdrag van Maastricht eindelijk van kracht geworden. Maar nòch de structuur van de besluitvorming, zoals in dat verdrag voorzien, nòch het feitelijke gedrag van de lidstaten en hun onderlinge verhouding terzake geeft aanleiding tot veel optimisme.

Toch is het op dit terrein, dat de Unie zich bij uitstek zal moeten bewijzen: door het vermogen de stabiliteit die zij in eigen gelederen zo overtuigend tot stand heeft weten te brengen op de landen van Midden- en Oost-Europa te projecteren. Dit vergt een combinatie van economisch-sociale en veiligheidspolitieke instrumenten, waarbij de relatie met de Verenigde Staten van het grootste belang blijft. Maar het is niet meer zo, dat West-Europa moeilijke veiligheidspolitieke klussen zonder meer aan de VS kan overlaten; eigen inspanningen staan voorop. Verwend door decennia van door anderen uiteindelijk gegarandeerde stabiliteit, hebben wij grote moeite dat te aanvaarden. Sommigen nemen zelfs openlijk van zulk een betrokkenheid afstand, gelijk dat ook gebeurt ten opzichte van inspanningen ten behoeve van een monetaire unie. Daarom is het heel begrijpelijk dat de gedachte opkomt aan een kleinere kerngroep, die het wèl over verdergaande doelstellingen eens is. Sommige schrijvers op deze Opiniepagina lijken het te betreuren dat wij in West-Europa de buren hebben die wij nu eenmaal toebedeeld hebben gekregen; misschien betreuren die buren dat ook wel eens. Maar terugblikkend moeten wij toch vaststellen, wellicht met enige erkentelijkheid, dat wij met dat gezelschap niet al te slecht zijn gevaren. Het gezelschap bijeen en op de juiste koers te houden is ook ònze verantwoordelijkheid.

Veiligheidsbeleid is voorshands puur intergouvernementeel met nationale verantwoordelijkheid. Alles wat de binnenmarkt en de relaties met Centraal- en Oost-Europa op economisch gebied betreft is echter sinds Maastricht ook aan de bevoegdheden van het Europese Parlement onderworpen. Er zijn gaten in het systeem, maar het gaat om aanmerkelijke nieuwe rechten voor het Europese Parlement. Als het Parlement het gebruik van deze rechten op relevante wijze politiek zichtbaar kan maken, zal al veel gewonnen zijn. Dat geldt ook voor het recht om de nieuwe voorzitter van de Europese Commissie al dan niet goed te keuren, en daarna de ploeg die hij samenstelt. Misschien dat dat zelfs de Nederlandse Euro-kiezer belangstelling kan inboezemen.