Media-revolutie zet journalistieke regels onder druk

Hoewel H.J.A. Hofland in zijn column (15 juni) mijn artikel over de ethiek van de pers in de krant van 13 juni uitvoerig citeert en parafraseert, heeft hij de bedoeling niet begrepen.

Het eerste misverstand dat Hofland creëert is dat ik zelf de vragen bedacht heb, die in Frankrijk zijn opgeworpen door de socioloog Pierre Bourdieu en door enkele (oud-)redacteuren van Le Monde (niet alleen Jean-François Lacan, maar ook oud-hoofdredacteur André Fontaine). Ik geef die discussie weer, in eerste instantie zonder daar een oordeel aan te verbinden. Het is - om een citaat toe te voegen - Fontaine die uitroept: “Les mots peuvent tuer. Nous avons manqué au devoir de prudence.” En het is Lacan die zich daartegen verdedigt, omdat hij vindt dat hij goede onderzoeksjournalistiek heeft bedreven. En eveneens Lacan, die zich achteraf de vraag stelt: met welk recht zetten journalisten mensen in de beklaagdenbank? Dat lijkt mij een boeiend debat.

Het tweede misverstand van Hofland is, dat ik uit de Franse discussie de conclusie trek dat Nederland behoefte heeft aan een soort Tien Geboden voor de media. Ik heb die term niet gebruikt. Ik pleit slechts voor meer discussie over de regels van het vak. Daarbij heb ik duidelijk aangegeven dat er journalistiek in soorten bestaat, van integere onderzoeksjournalistiek tot riooljournalistiek. Het spreekt vanzelf dat het journalistieke normbesef dienovereenkomstig varieert.

Ikzelf ben voor meer (niet minder) onderzoeksjournalistiek, zoals bekend kan zijn uit het boek Onthullingsjournalistiek dat wij met enkele collega's van de School voor Journalistiek en Voorlichting hebben geschreven. Voor meer (niet minder) onderzoek naar commissariaten van politici. En tegelijk voor minder on-nieuws over verkiezingsenquêtes. Dat zijn allemaal keuzen, voortvloeiend uit een visie op de taak van de journalist.

Als men de keus voor meer onderzoeksjournalistiek maakt, zijn er wel regels nodig. Journalisten moeten die individueel en per redactie ontwikkelen, als was het maar om schadeclaims (ook in Nederland worden al miljoenen geëist) te voorkomen. Amerikaanse media hebben daarom veel scherpere regels omtrent de journalistieke werkwijze dan wij. Amerikaanse opleidingen besteden ook veel meer aandacht aan recht en ethiek.

Maar ook in een bredere context is een discussie over de regels van het vak zinvol. Bourdieu wijst er terecht op dat de televisie en de commercie de journalistiek en daarmee het publieke debat grondig hebben veranderd. In het laatste nummer van De Gids onderschrijft Ben Knapen, hoofdredacteur van NRC Handelsblad, die stelling. Hij betoogt dat de technische revolutie in de media (uw eigen nieuws per modem) en het oprukken van de tv niet alleen het tempo, maar ook het karakter van het nieuws veranderen. Alleen de actueelste actualiteit die live kan worden uitgezonden wordt als realiteit beschouwd. En onder invloed van de infotainment-industrie vervagen oude grenzen tussen nieuws en vermaak.

Ongetwijfeld geeft de televisie ook veel positieve impulsen aan de journalistieke bedrijvigheid. Maar tegelijk zet de media-revolutie oude journalistieke regels onder spanning. Een verkiezingsstrijd wordt nu wezenlijk anders verslagen dan tien jaar geleden. Dat vraagt niet alleen een andere instelling van politici, maar ook enige bezinning van journalisten. Doorgaans doet Hofland maar al te graag mee aan dat debat.