Kruisbekken

Ik zit met Leen van Weelden aan de telefoon. We bespreken een paar dingen die in aanmerking komen om besproken te worden en opeens realiseer ik me dat daarginds, als het ware achter Leen zijn rug, een vogel zit te fluiten, de harde, heldere, monomane zang van een merel.

Ik zeg: “Heb jij de deuren openstaan of zo?” En hij: “Ach jongen, ik zit in de tuin.” Draadloos dus.

Voor het eerst, voor het eerst van mijn leven, heb ik een prettige gewaarwording bij een draadloze telefoon. Ik kan het gesprek beëindigen, ik kan zo naar buiten lopen, daar zal heus ook wel een merel aan het zingen zijn, maar voor het moment geef ik de voorkeur aan een merel die in Brummen zit.

Wat me herinnert aan een ochtend ruim twee jaar geleden, tijdens de Olympische Winterspelen in Albertville. Ik had de televisie aangezet voor de start van de ik weet niet hoeveel kilometer cross-country voor vrouwen. Kun je nagaan hoe ik eraan toe was in die tijd.

Vanuit een onwaarschijnlijk hoge camerapositie werd een berglandschap met besneeuwde sparren in beeld gebracht. Er gebeurde niets, helemaal niets. Op den duur viel zelfs de commentator stil. En toen het onverstoorbare, rollende gefluit van een stelletje kruisbekken.

Ik op de bank, die vogels in de Alpen, toverachtig. Zo is het leven en daar knapt een mens van op.