In een ruimteschip met de 'hemelse mevrouw Ping'

De rode tepelogen van de rose kartonnen manstors, naast Bhoeda op het podium keken me peinzend aan. De pauze is voorbij, maar het duurt in de verte achter gesloten glazen deuren voort, een mist van stemmen en gelach. De dichters gaan hun tweede ronde in, ditmaal zonder koningin. Zenmeesteres Judith Herzberg leest een wijs vers, opgedragen aan de dode Dick Hillenius: “Boomchirurg noemde hij zich./ En met zijn motorzaag zat hij bovenin mijn boom/ toen jij je fiets tegen het hek aanzette./ Altijd en van nature tegen snoeien, zei je alleen 'zozo'/ en ik zag dat er iets met je aan de hand was./ 'Ik geloof dat er iets in mij groeit dat er niet hoort.' Op dat moment viel er een tak zodat het dak/van het schuurtje brak./ Ik rende weg en 's nachts pas wist ik hoe het voor jou was/ er braken zorgen bij me uit/ die niet te stuiten waren/ over het ooit als we elkaar verliezen/ en hoe we voor het zover komt/ dom zullen redderen/ en pas wanneer het kraken echt gevaarlijk wordt/ hulpvaardig de verkeerde kant opdraven.”

“Laat mijn woorden scherm zijn dat smelt bij ieders ademtocht,” had Remco Campert voor de pauze gelezen. Dat hoorde ik liever dan “altijd maar, altijd maar, altijd maar, altijd maar”, zijn Lamento, al viel mijn oog op een okeren schouder terwijl hij 'ókeren schouder' zei. Ik had heimwee naar Maurits Uyldert die in De tuinen van liefde en dood (1913) schreef: “De avondlijke rit, de rossen/ Rennen rap langs 't heuvlig land/ waar de laatste schuine stralen/ Van de zinkend ongezonken/ Zinderende zon een toovrig/ Waas van weemlend goud uitsprein.// En 's nachts droom ik van haar klepper,/ Hoort 't dof kraken van het tuig,/ Voel de trouwe slanke kop/ Rusten op mijn schouder, strijk/ Met mijn moede hand de zachte/ Uitgestrekte nek, die zij,/ Daar zij kozend met mij poosde,/ Heeft geliefkoosd met 't geklop/ Van haar blanke smalle hand.” Dat was nog eens vrouw en paard noemen.

Het was nog voor de pauze, in de Kleine Zaal, die groot is en steeds meer op een compartiment van een ruimteschip begon te lijken, misschien door de aanwezigheid van onze 'hemelse mevrouw Ping' ofwel koningin Beatrix. Heeft Lubbers toch Joyce gelezen? Hij zat naast haar. In de pauze zou Joachim Sartorius hem vast onderrichten over het belang van Europese cultuurpolitiek.

Hare Majesteit was in het zwart. Te harer ere had ik mijn schoenen gepoetst. Dichters zijn ook maar arme drommels. Dit doet me denken aan de spermawalvis van gisteren en aan de 'moth' die een mot werd, geen nachtvlinder: Poetry bestaat 25 jaar en offreert vertalers van in het buitenlands lezende dichters ƒ 300 voor tien gedichten. Tarieven uit 1913, en zoals Jan Kuijper in Denkbeelden schreef: “Wie als vertaler per woord wordt betaald neemt niet de tijd om na te denken.”

En wat las ik bij R.W. Emerson (1803) over bedelaars? “Hoewel ik schaamtevol beken, dat ik mij soms laat overhalen en die dollar geef, het is niettemin een immorele dollar en voortaan zal ik de kracht moeten hebben hem in mijn zak te houden.” Op weg naar De Doelen, aan het begin van de avond, schonk ik, die woorden indachtig, de bedelaar tussen Pauluskerk en Doelen een glimlach maar geen gulden; hij mompelde “dank je wel” alsof hij het met de schrijver eens was. “De mens trekt de wereld in om een teugje af te bedelen uit de waterkruik der andere mensen. Wij moeten eenzaam onze weg gaan.” Zo dorstend kwam ik naar de bron, waar op de stoep Breyten Breytenbach een dichtregel onthulde op de flank van een vuilniswagen door een strip vol vraagtekens weg te trekken. “Jy leef asof jy onsterflik is.” Was het maar waar. Ik voelde hoezeer mij de weg van alle melkpakken en lege blikjes beschoren is. Gelukkig stond in de zaal op het achterdoek Luceberts gedicht er is leven na de dood: “alleen waadt een engel/ door een vijver vol vuilnis/ en kust het kristallen hart”.

“Erbengebek gek beer ben/ brekebeen gebrekbeen/ erbengebek gek beer ben/ brekebeen gebrekbeen.” Klankdichter Jaap Blonk laafde mijn Hoogveluws hart met het sonnet Beekbergen ter nagedachtenis van Johnny van Doorn. Het is nu ochtend, zeven over half vier, buiten klinkt massaal gejuich. Nee, niet voor poëzie. Niet voor hen die, zoals Breytenbach in zijn openingstoespraak zei, de liefde bedreven met de dood, om woorden te baren. Maar “wij zijn allen één lichaam,” zei hij ook, en dat geldt bij uitstek voor voetbalpubliek. Nee, dan de Japanner Itaru Oki, die op gestopte trompet een duet speelde met de murmelende blauwe inktbron op het podium. Alweer dacht ik aan Lucebert: “oh oor, o hoor// maar eentonig het eenzame zingt/ de dag breekt en de nacht smelt/ de zon en de maan gaan heen/ het woord zingt alleen// oh oor, o hoor.”

Ik ga van kleppers dromen.