Geknuffel houdt kinderen vaak niet in jeugdtehuizen

OOSTERHOUT, 21 JUNI. De vorige avond had ze hem ingestopt en geknuffeld. Heel gemoedelijk allemaal. Maar opeens rukte Robert de dekens over zich heen en riep van diep weg: Kanker op, teringwijf. Wat er dan opeens aan de hand is, groepleidster Marina van Wissen heeft geen idee. “Daar kom je bij hem ook niet achter.”

Na een verblijf van bijna twee jaar op internaat Lievenshove in Oosterhout moet Robert (14) nu weg. “Wij hebben onze grenzen bereikt met hem”, aldus de groepsleidster. Robert is te onbetrouwbaar en te destructief. Nog steeds. Een fiets heeft hij bijvoorbeeld niet meer. “Alles wat gesloopt kàn worden, sloopt hij ook.”

Uit de onlangs gepresenteerde resultaten van het onderzoek 'Residentiële hulpverlening geëvalueerd' dat de Nijmeegse Universiteit hield onder jongeren van negen tot zestien jaar op tien Brabantse internaten, blijkt dat bijna de helft van alle kinderen vertrekt voordat volgens de hulpverleners de behandeling is afgerond. In eenderde van de gevallen loopt het kind weg of besluiten de ouders ermee te stoppen. Twee van de tien keer kan de groepsleiding het gedrag van het kind niet meer aan.

Het Nijmeegse onderzoek veroorzaakte veel commotie bij de Brabantse internaten die de subsidiekraan al verder dichtgedraaid zagen worden. De laatste jaren hebben de internaten sterk moeten bezuinigen. In zijn werkkamer op het terrein van internaat Lievenshove, aan de bosrand van Oosterhout, schudt directeur C. Dresen zijn hoofd. “Je moet bedenken dat ouders in veruit de meeste gevallen wèl vinden dat de behandeling is geslaagd”, zegt hij. Robert bijvoorbeeld doet het volgens zijn moeder “helemaal niet slecht”. Hij is zelfstandiger geworden en niet meer zo bang. “Maar”, zegt ze over de telefoon, “als ze daar vanuit hun beroep vinden dat hij zich niet meer ontwikkelt, dan zal dat wel zo zijn. Ik ben maar een leek.”

Aan de kamermuur van de directeur hangt een tekening van een vierkant huis met een zon in dikke lijnen en grauwe kleuren. Een tekening van een kleuter lijkt het, maar de maker is een elfjarige bewoner van het internaat. De kinderen op Lievenshove zijn getekend door het leven, vertelt Dresen. Vaak zijn ze mishandeld, misbruikt of affectief verwaarloosd. Bijna allemaal komen ze uit gebroken gezinnen waarvan de ouders vaak psychiatrische klachten hebben. Voor hun omgeving zijn de kinderen onbenaderbaar en onhandelbaar geworden.

Pag.2: Kind leert alledaagse bezigheden

Veertig procent van de kinderen zit op Lievenshove door een beslissing van de kinderrechter. Hier kunnen ze 'het dagelijks leven' opnieuw uitproberen en leren om 'normale relaties' met leeftijdgenoten en volwassenen aan te gaan.

Directeur Dresen ziet vaak met tegenzin de kinderen voortijdig naar huis vertrekken. “Maar je houdt het niet altijd tegen”, zegt hij. Soms willen de ouders hun kind toch weer terug. Als hun kind eenmaal het huis uit is, zijn ze van de hel in de hemel gekomen, zegt Dresen. Ze kunnen weer ademen. Tijdens het bezoek in de weekeinden is er dan minder ruzie en het kind gaat de thuissituatie idealiseren. Hoe erg het ook mishandeld of misbruikt is, vertelt Dresen, altijd zal het kind loyaal aan zijn ouders blijven. “Als die het dan weer willen proberen, wie zijn wij om 'nee' te verkopen?” Dresen haalt zijn schouders op. “Het is hun kind. Wij zijn ook geen tovenaars.”

In de huiskamer van een van de woningen op het terrein van Lievenshove zitten de jongens van 'de orthopedagogische behandelgroep 3b' rond de koekjestrommel verzameld. Ze hebben een probleem: Wie heeft de stekelbaars in stukken gesneden? Vorige week dreef het kopje opeens los van het lijfje in de kom. Tot nu toe heeft niemand schuld bekend.

Groepsleidser Corry Verroen zit in haar spijkertuinpak op de grond. De jongens hangen onderuitgezakt in de leren bank. “De dader ziet waarschijnlijk aan zijn eigen leven kop noch staart”, zegt ze. Ze vindt het zielig voor het kind. Hij loopt met een groot geheim rond en dat is zwaar, vertelt Verroen. Ze besluit een rondje te maken. Iedereen mag zeggen wie hij verdenkt. Marco (10) veert op, een mager jongetje met kort geschoren haar en een kuifje. “Dus als de meeste op mij stemmen, heb ik het gedaan?” zegt hij met grote ogen.

Ze komen er niet uit. De dader durft niet. Ook niet nadat een ander jongen - op aandringen van Verroen - heeft verteld dat hij drie jaar geleden op paaszaterdag een konijntje verdronken heeft. Dan stelt Jantje van acht voor dat de schuldige een briefje schrijft. Een goed idee, vinden ze allemaal.

Die avond vindt Verroen onder haar deur een opgevouwen blaadje: “Cor, ik heb het niet gedaan, groet Marco”, staat erop. Maar de volgende ochtend is hij na vijf minuten al weer teruggekeerd van school. Hij hangt tegen de deurpost en boort zijn schoenpunten in de grond. Er zit “een probleem” in zijn hoofd, zegt hij. Dat moet hij eerst tegen Corry vertellen, anders kan hij niet leren.

“Dat ze volwassenen kunnen vertrouwen, dat is nieuw voor ze”, had Verroen gezegd. “Rust en veiligheid bieden, dat is zo belangrijk voor deze jongens.”

Er moet een realistischer beeld van de jeugdhulpverlening komen, vindt M. Jansen, mede-auteur van het rapport en sinds kort aan Lievenshove verbonden als orthopedagoog. Volgens Jansen heeft de jeugdhulpverlening veel te lang gedacht dat ze alle problemen kon oplossen. Dat ze kinderen altijd volkomen kon 'verbeteren'. “Maar als je jongeren gedurende een paar jaar uit de chaos van hun leven haalt en ze laat zien hoe het ook kan, is dat ook al een hele verdienste”, aldus Jansen.

Met Charles (12) is het goed gelukt, vindt de groepsleiding. Toen hij hier vier jaar geleden kwam, kon hij niet praten en was hij volkomen in zichzelf gekeerd. Het enige geluid dat hij maakte was het gekraai van een haan. Nu speelt hij orgel en zit op een scoutingclub. Volgende week is zijn afscheidsfeestje.

Toch bestaat de kans dat Charles weer stukloopt, meent Jansen. Een 'hulpverleningscarrière' komt zelden tot een eind. Jantje van acht bijvoorbeeld zat al op zijn derde in een medisch kleuter dagverblijf. Marco van tien verblijft al zeven jaar in internaten. Van de jongeren uit het onderzoek had meer dan de helft al in een of meer tehuizen gewoond. Een kwart verbleef eerder in een pleeggezin. Jansen vergelijkt de psycho-sociale problemen van de jongeren in dit verband meestal met suikerziekte. “Met medicijnen en interventies is het draaglijk te maken, maar er echt vanaf komen doe je nooit.”