Europese markten in mineur

ROTTERDAM, 21 JUNI. Reëel of niet, de angst voor inflatie in de Verenigde Staten speelde gisteren de rol van boeman op de Europese financiële markten. Nadat op Wall Street vrijdag de stijgende prijzen van grondstoffen de koersen van aandelen en obligaties hadden gedrukt, verplaatste de schok zich over het weekeinde naar Europa. Dat plukt vooralsnog de wrange vruchten van een voorlopig Amererikaans probleem. De economie in de VS groeit snel, en handelaren zien in elke schaduw een teken van naderende geldontwaarding.

De grondstoffenprijzen, waar nu sterk op wordt gelet, zijn de eerste schakel in een keten van redeneringen waarvan de juistheid betwistbaar is, maar die zichzelf in de praktijk van de financiële markten als waar aan het bewijzen is. Inflatie is slecht voor obligaties; geldontwaarding holt de waarde van het geleende geld uit. De dalende obligatiekoersen drijven de effectieve rente op. In de VS is de kapitaalmarktrente sinds 1 januari gestegen van 6 procent naar ruim 7 procent. Dat hogere renteniveau is weer slecht voor aandelen: bedrijven moeten duurder lenen waardoor de winst onder druk komt. Bovendien eisen beleggers een hoger rendement op hun aandelenbeleggingen dat meer in lijn ligt met hun gestegen obligatierendement. Bij een gelijk dividend realiseert de markt de aansluiting door een koersdaling. De Dow Jones aandelenindex staat, na een korte stijging in januari en een forse correctie in de maanden daarna, nu op het zelfde niveau als in het begin van dit jaar.

Een Amerikaans probleem dus, zo lijkt het. Wat voor de Europese beleggers dit halfjaar als een verrassing kwam, is dat de markten van de VS en Europa aan elkaar gekoppeld zijn. Economisch zijn daar weinig redenen voor: Europa is net bezig uit het conjuncturele dal te klimmen, terwijl het Amerikaanse herstel zijn vierde jaar in gaat. Inflatie is in de EU hoegenaamd geen probleem en de winsten van het bedrijfsleven kunnen nog flink stijgen. De meest gangbare verklaring dat er toch een koppeling is tussen de financiële markten in de VS en de EU is dat beleggers steeds internationaler opereren. Investeerders met een internationaal gespreide portefeuille hebben de neiging hun buitenlandse beleggingen eerder te verkopen dan die in eigen land. Dat geldt zeker voor het groeiend aantal fondsen dat, al dan niet met grote hoeveelhedengeleend geld geld, specifiek uit is op snelle koerswinsten. Sommige Amerikaanse beleggers, die vorig jaar voor tientallen miljarden aan Europese obligaties kochten, raakten door de dalende koersen in de VS zelf in moeilijkheden en liquideerden hun zware Europese portefeuilles.

Daardoor is de koersdaling op de Europese obligatiemarkt even fors, of zelfs sterker als die in de VS en zijn de renteniveau's op langlopende leningen min of meer vergelijkbaar. Via de Europese obligatiemarkt, die er voor zorgde dat de kapitaalmarktrente in bijvoorbeeld Nederland steeg van 5,5 procent in januari tot 7,3 procent gisteren, worden ook Europese aandelen getroffen. De daling van de koers van de Amerikaanse dollar, die nu voor een deel op het conto komt van de inflatie-angst in de VS en het snelle herstel van de Europese economieën, zorgt voor minder hoge inkomsten van het Europese bedrijfsleven uit Amerikaanse activiteiten, en dus voor minder hoge winstverwachtingen. Bovendien hebben ook de hogere grondstoffenprijzen een nadelige invloed op de winstgevendheid van het Europese bedrijfsleven. Bedrijven die de prijsstijgingen kunnen doorgeven aan klanten zorgen zo voor sterkere prijsstijgingen dan tot nu toe werd aangenomen. Dat laatste betekent dat een einde komt aan de monetaire versoepeling die Europa de laatste twee jaar weldadig mocht smaken. Recente opmerkingen van de toonaangevende Duitse centrale bank, de Bundesbank, wijzen ook in die richting: het dal in de reeks van renteverlagingen komt snel naderbij. In het Verenigd Koninkrijk, dat conjunctureel op het continent voorloopt, wordt verwacht dat de volgende rentestap van de Bank of England omhoog zal zijn, in plaats van naar beneden.

Intussen trilt de koersval van de obligaties na bij de grote Nederlandse geldvragers, de overheid voorop, en in de dealing rooms van de grote banken. De kapitaalmarktrente drijft de hypotheektarieven op en maakt langlopende financiering voor bedrijven duurder. Het Agentschap van het ministerie van financiën moet voor de staat het komende halfjaar nog rond de dertig miljard gulden lenen op de kapitaalmarkt. De rente waarmee in de begroting nog wordt gerekend, is zes procent. Mocht de rente op het huidige niveau van 1,25 procentpunt hoger blijven, dan kost dat de overheid 375 miljoen gulden aan extra rente in 1995. Die rentebetalingen stapelen zich in de komende kabinetsperiode op, zodat een paarse coalitie rekening zal moeten houden met drie maal dit bedrag, ruim een miljard gulden extra.

Omdat de banken grote handelaren in obligaties zijn geworden, met dito (onverkochte) voorraden, zijn zij gedwongen de waardeverliezen in hun resultaat over het eerste halfjaar te nemen. Eind vorig jaar hadden de Nederlandse banken in totaal voor bijna 15 miljard gulden obligaties in portefeuille. Bij een gemiddelde koersdaling van 10 procent is dat verlies dus 1,5 miljard gulden.