EU bevestigt weren van buitenlandse werknemers

BRUSSEL, 21 JUNI. De Europese Unie is niet langer gediend van gastarbeiders. Voortaan kunnen werknemers van buiten de EU slechts bij hoge uitzondering een baan krijgen. In de twaalf lidstaten van de EU is dat uitgangspunt al lang praktijk, maar gisteren werd het formeel bevestigd in een verklaring die de EU-ministers van justitie en binnenlandse zaken in Luxemburg aannamen. Binnen de EU zitten momenteel 18 miljoen mensen zonder baan, ongeveer 11 procent van de beroepsbevolking.

Volgens de verklaring komen niet-Europese gastarbeiders alleen nog in aanmerking voor werk binnen de EU, als het om specifieke banen gaat waarvoor niemand binnen de EU beschikbaar is. De lidstaten mogen zelf beslissen of de betrokken werknemers in dat geval vrouw en kinderen mee mogen brengen. Lidstaten wordt aangeraden alleen seizoenarbeiders van buiten de EU toe te laten, als “er geen enkele reden is om te geloven dat zij zullen proberen definitief in de EU te blijven”.

De uitgangspunten die nu zijn vastgelegd, en de daarbij geldende uitzonderingen - bijvoorbeeld voor mensen uit landen waarmee de EU bepaalde verdragen heeft gesloten - komen overeen met de Nederlandse regelgeving op het terrein van de toelating en de afgifte van werkvergunningen.

Alle lidstaten gingen gisteren akkoord met de resolutie. Maar de Belgische socialistische minister van binnenlandse zaken Tobback verzette zich zich wel tegen de zijns inziens te negatieve toonzetting van de verklaring. Daarmee wordt volgens hem tegenover de buitenwereld het beeld van 'Fort Europa' bevestigd.

De richtlijnen voor gastarbeiders gelden niet voor asielzoekers en evenmin voor vluchtelingen die om humanitaire reden een verblijfsvergunning hebben gekregen. Justiële samenwerking en binnenlandse zaken vallen onder de zogeheten derde pijler van het Verdrag van Maastricht.

Besluitvorming is slechts mogelijk bij eenparigheid van stemmen. Het immigratiebeleid en het beleid ten aanzien van onderdanen van derde landen wordt in het Verdrag van Maastricht genoemd als een van de aangelegenheden die de lidstaten als “van gemeenschappelijk belang” beschouwen.