De laatste der foute vuilnismannen

Het is hem niet aan te zien, maar Harm Ottink, een kleine, jongensachtige man van 34 jaar in een rood jek, belichaamt het staartje van een plaatselijk schandaal. Het schandaal is achter de rug, niemand praat er meer over, maar Ottink zal niettemin op deze sombere voorjaarsdag in zijn dooie eentje de gang naar Canossa moeten maken.

Een kleine twee jaar geleden ontstond in Utrecht de nodige beroering toen bleek dat een aantal vuilnismannen van de gemeentelijke Reinigingsdienst steekpenningen aannam van winkeliers uit de wijk Lombok. Die winkeliers hadden vaak zoveel afval dat ze het volgens de regels alleen tegen extra betaling - via het afsluiten van een contract - kwijt konden aan de Reinigingsdienst.

Dat liep nogal in de papieren, reden waarom veel winkeliers het op een particulier akkoordje gooiden met sommige vuilnismannen. Ze schoven de mannen wat cadeautjes en geld toe en iedereen was tevreden - althans, voor een poosje.

Het zou misschien nooit uitgelekt zijn, als enkele vuilnismannen niet bij de winkeliers op een hogere omkoopsom hadden aangedrongen. Dat werd een paar winkeliers te gortig. Zij lichtten de directie van de Reinigingsdienst in. De dienst probeerde de zaak in de publiciteit aanvankelijk te bagatelliseren, evenals de vuilnismannen.

Volgens de dienst ging het om incidentele gevallen, en de vuilnismannen hielden het op “vijf gulden hier, een bosje bloemen of een blikkie fris daar”. “Als je het niet aannam”, vertelde een vuilnisman, “staken ze het wel in je zak, of legden ze het in je auto. Je bent toch een dief van je eigen portemonnee als je dat niet aanneemt?”

Maar uit het onderzoek van politie en justitie bleek dat het wel degelijk om een forse omkopingsaffaire ging. In totaal waren er zestien vuilnismannen en 75 winkeliers bij betrokken. Zij kregen een schikking van duizend gulden aangeboden. Wie niet betaalde, moest voorkomen.

Ottink behoort tot een groepje vuilnismannen die een schikking afwezen. Bij de behandeling van een zaak tegen twee van zulke vuilnismannen schreef het Utrechts Nieuwsblad vorig jaar: “Waar de vuilnismannen wel terecht over klagen is het gedrag van hun directies die het fooiensysteem al die jaren willens en wetens hebben getolereerd. Dat het systeem kon leiden tot de chantage in de Kanaalstraat is daarom deels aan de directie te wijten.”

De krant merkte tevens op dat niemand van de directie in de rechtszaal aanwezig was. Dat geldt ook voor de behandeling van de zaak tegen Ottink. Ook zijn collega's schitteren door afwezigheid, of correcter gezegd: zijn voormalige collega's, want Ottink werkt niet meer bij de Reinigingsdienst.

“Ze hebben het allemaal gedaan”, zegt Ottink nu.

“Wat?” vraagt de politierechter, mevrouw mr. A. Breedveld.

“Wat ik heb gedaan.”

“Dus dealtjes maken met bedrijven over het afval? Elke woensdag langskomen om wat extra's te beuren?”

“Ik wist niet dat het niet mocht. Ik wist alleen dat je er niet om mocht vragen.”

“U weet toch dat een ambtenaar nooit cash geld krijgt?”

“Je kreeg ook wel eens wat anders: drinken of fruit.”

“Maar meestal geld?”

“De ene keer wel, de andere keer niet.”

“Ze betaalden in natura of in geld, terwijl u wist dat het om een dienst van de Reinigingsdienst ging.”

“Zo gebeurde het overal. Het groeide erin.”

Ottink vertelt hoe hij enkele jaren geleden als nieuweling op een wagen - vuilnismannen opereren gedrieën - met twee ervaren collega's kwam. Ze leerden hem meteen de corrupte kneepjes van het vak: die en die winkelier wilden best was extra's geven. Hij moest het maar als fooien beschouwen, daar had de directie immers nooit bezwaren tegen gehad? Met nieuwjaar mochten ze toch zelfs langs de deur gaan voor fooien?

“Al met al leverde u dat maandelijks per man 500 gulden netto extra op”, constateert de rechter, “een hoop geld. Daar kun je wel een extra zakje voor ophalen.”

“Ik was er gelijk mee opgehouden als ze gezegd hadden dat het verkeerd was.”

“Waarom heeft u de transactie niet willen betalen?”

“Ik ben al heel zwaar gestraft. Men heeft mij met twee anderen op staande voet ontslagen. Wij zijn de zondebokken.”

De officier van justitie, mevrouw mr. E. Julsing, merkt op dat alleen in de ernstigste gevallen ontslag is gevolgd; de anderen kwamen er met een berisping vanaf. “Hij behoort tot die ernstige gevallen.” Ze eist duizend gulden boete of twintig dagen hechtenis.

“Hij voelt zich de dupe van een zeer onduidelijk beleid”, zegt de advocate, mr. A. Beijnes. “Hij ontkent niet dat hij geld heeft aangenomen, maar hij voelt zich te zwaar gestraft. Hij vindt dat oneerlijk omdat alle 360 medewerkers van de dienst eraan meededen: van hoog tot laag. Ze accepteerden koffie, zakjes fruit, nieuwjaarsfooien.”

“Niet alle 360 medewerkers hebben meegedaan”, repliceert de officier. “Er mocht wel iets gegeven worden, maar het mocht niet gevráágd worden.”

De politierechter acht het tenlastegelegde bewezen. “Je kunt zeggen dat het fraude is, maar het is ook: diefstal van de werkgever. Als nu vaststond dat u voor 12.000 gulden van uw werkgever had gestolen, zou u zich dan ook te zwaar gestraft voelen?”

“Dat hangt af van het onderzoek.”

De rechter kijkt hem vermanend aan. “De maatschappij kan het niet hebben dat ambtenaren zich niet aan de regels houden. Als je de straffen ziet bij bijstandsfraude, dan is de eis van de officier buitengewoon mild. Ik volg die eis.”

Ottink mag in vier termijnen betalen - de laatste meevaller uit zijn carrière als vuilnisman.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.