De CPB-coalitie

EERST WAS ER de pure noodzaak voor PvdA, VVD en D66 om na de verkiezingen met elkaar te praten over de vorming van een kabinet. Er was immers geen bespreekbaar alternatief. De noodzaak veranderde naarmate de drie betrokken fractievoorzitters langer bij elkaar zaten langzaam maar zeker in politieke wil. Vorige week leek er bij hen zelfs al sprake te zijn van politieke overtuiging voor de paarse coalitie. Niet langer de vraag òf, maar de vraag wannéér komt het CDA-loze kabinet was overheersend. Toen kwam het Centraal Planbureau en weg was de euforie. Opeens was de sfeer “grimmig” en bleek de zoveelste cruciale fase voor het welslagen van de onderhandelingen aangebroken. En dat allemaal omdat de jongste computeruitdraai van het Planbureau tegenvallende cijfers te zien had gegeven.

Vroeger was de achterban de grootste hobbel die een politiek leider tijdens een kabinetsformatie diende te nemen. Voor de ene partij was dat de Tweede-Kamerfractie, voor de andere partij de partijraad. Tegenwoordig werkt het anders. Partijraden zijn of opgeheven, of niet gemachtigd zich over dit soort zaken uit te laten. De fracties zijn opgedeeld in werkgroepen, waardoor individuele fractieleden althans voor hun specifieke beleidsterrein het idee hebben bij de onderhandelingen betrokken te zijn, en intussen het uitstippelen van de politieke lijn voorbehouden blijft aan de fractieleiders. Doorslaggevend, getuige de jonste strubbelingen bij de formatie, is het keurmerk van het Centraal Planbureau.

OP DEZE MANIER wordt de lijn doorgetrokken die al zichtbaar werd ten tijde van de presentatie van de diverse verkiezingsprogramma's. Zelfs GroenLinks ging voor een akkoordverklaring langs bij de rekenkundigen van het Planbureau. Het leidde begin dit jaar tot de kolderieke situatie dat iedere partij aan de hand van het CPB-rapport zich de beste kon noemen. Natuurlijk zijn de exercities van het Planbureau van nut. Het doorrekenen van de diverse programma's leidde ertoe dat de voornemens van de partijen vergelijkbaar werden. Door uit te gaan van dezelfde vooronderstellingen kon de ene partij geen mooier resultaat presenteren dan de andere.

De grote fout die partijen maken is de absolute waarde die er wordt gehecht aan de cijfers van het Planbureau zodra deze maar enigszins meevallen. Directeur Zalm van het CPB zelf heeft bij herhaling op de betrekkelijkheid van zijn uitkomsten gewezen en de hoop uitgesproken dat de politieke discussie niet zou verschralen tot een discussie over wie de mooiste cijfers heeft.

De berekening van het Planbureau dreigt beslissend te worden geacht voor het al dan niet doorgaan met paars. Terwijl de financieel-economische fractiespecialisten een middag bij elkaar gaan zitten om de tegenvallende cijfers van het Planbureau op te krikken. Het suggereert maakbaarheid, maar de noodzaak van het doen van politieke keuzes wordt erdoor aan het oog onttrokken.