Banenstoommachine

De discussie over de werkgelegenheidsproblematiek heeft verschillende stadia doorgemaakt. Na de oorlog dachten economen en beleidmakers volledige werkgelegenheid te kunnen handhaven door sturing van de vraag. Toen dit Keynesiaanse programma vastliep op de stagflatie van de jaren zeventig verplaatste de aandacht zich naar de aanbodszijde van de arbeidsmarkt. In onze dagen concentreert het discours zich op de sociale zekerheid.

De oorzaak van de hardnekkige hoge werkloosheid in Europa wordt niet meer gezocht bij de tekortschietende algemene vraag naar goederen en diensten, maar bij een gebrek aan flexibiliteit en aanpassingsvermogen.

De banenmachine in Europa stokt doordat de werknemers uit de markt worden geprijsd door te hoge arbeidskosten. De hoofdoorzaak wordt niet gezocht bij het feit dat de vakbeweging te hoge lonen zou weten af te dwingen, maar bij het niveau van de sociale uitkeringen.

De economen die op het ogenblik de toon aangeven zoeken de verklaring voor de blijvend hoge werkloosheid in de verhouding tussen de uitkeringen en het gemiddelde loonpeil. Het uitkeringsniveau wordt beschouwd als de bodem in de markt. Het is bepalend voor het zogenoemde reserveringsloon, dat is het loon waaronder het niet lonend is om een baan te aanvaarden.

Volgens deze leer zullen werknemers zich niet langer uit de markt prijzen als de uitkeringen worden verlaagd en het minimumloon wordt afgeschaft en ook overigens allerlei institutionele belemmeringen en verstarringen worden opgeruimd. Ze zullen dan immers eerder bereid zijn lagere lonen te aanvaarden. De flexibiliteit van de arbeidsmarkt zou op deze manier worden hersteld. De hele theorie berust op de veronderstelling dat er dan lonen tot stand kunnen komen waarbij het aanbodoverschot op de arbeidsmarkt geheel kan worden geruimd.

Dit is ook de beleidskoers die in het onlangs verschenen rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) wordt aanbevolen. Daarin worden andere oorzaken van de structurele werkloosheid, zoals de concurrentie van lage-lonenlanden en de technologische ontwikkeling, als mythen doorgeprikt.

De OESO ziet voorbij aan het moeilijk te loochenen feit dat de moderne technologie laag geschoolde arbeid overbodig maakt en banen schept waarvoor meer scholing nodig is. Volgens de heersende opvattingen zou juist meer eenvoudig werk beschikbaar moeten komen om de laag geschoolden kansen te bieden. Het Amerikaanse model geeft de richting aan: meer banen voor lonen die onder de armoedegrens liggen.

Het is het model dat Karl Marx voor zich zag. Hij voorzag in Das Kapital dat de intensivering van de arbeid door opvoering van de produktiviteit uitstoot van arbeid tot gevolg zou hebben. Een deel van het groeiende reserveleger werklozen zou nog werk kunnen vinden in persoonlijke diensten tegen veel lagere lonen dan in de industrie, omdat aan dit soort werk nauwelijks een economische ruilwaarde wordt toegekend.

Er zijn onlangs een paar onthullende cijfers beschikbaar gekomen over de werkelijke mogelijkheden die het Nederlandse bedrijfsleven te bieden heeft voor de creatie van eenvoudig, goedkoop werk. Volgens een onderzoek van de nieuwe inspectie- en informatiedienst van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verdienen werknemers in het bedrijfsleven die zeer eenvoudig werk doen waarvoor geen scholing of weinig ervaring vereist is, per uur gemiddeld 9 procent meer dan het uurloon dat is afgeleid van het wettelijk minimumloon. Rechtvaardigt dit feit nu het invoeren van lagere CAO-schalen?

Uit het onderzoek blijkt dat maar 2 procent van de CAO-bedrijven het wenselijk vindt om werknemers te kunnen indelen in een loonschaal tussen het wettelijk minimumloon en de laagste CAO-schaal. Verder blijkt dat 93 procent van de bedrijven niets ziet in het creëren van nieuwe aanloopbanen waarvoor geen ervaring en weinig of geen opleiding is vereist.

In de discussie wordt onevenredig veel aandacht besteed aan de te hoge lasten van de verzorgingsstaat en aan defensieve benaderingen om potentiële arbeid tegen lagere kosten te activeren. Dit is de opvatting die F. Leijnse, oud lid van de Tweede Kamer voor de PvdA, in zijn oratie als hoogleraar bedrijfskunde aan de Erasmus Universiteit heeft verkondigd. De wezenlijke vraag is naar zijn mening waarom onze economie de groeimogelijkheden die de verzorgingsstaat door zijn voorzieningen biedt niet realiseert. De werkzekerheid en inkomensbescherming die de verzorgingsstaat te bieden heeft ziet hij als positieve factoren die ook onze concurrentiepositie kunnen versterken, mits we er maar voor weten te zorgen dat de arbeidsbevolking kan meegroeien met de ontwikkeling van de technologie en de markt.

Misschien is 'banenmachine' niet zo geslaagd als metafoor van de arbeidsmarkt, omdat ze eerder associaties oproept met het stoomtijdperk dan met de post-industriële wereld van de elektronica.