Aantal banen bij 100 grootste bedrijven daalde in 10 jaar licht

De vier grote Nederlandse multinationals hebben minder mensen in dienst dan ruim tien jaar geleden. Maar bij de overige bedrijven die tot de honderd grootste behoren, groeide de werkgelegenheid. 'Winst maakt werk' is nog steeds waar. En de uitgaven voor research & ontwikkeling lijken van minder belang dan vaak wordt aangenomen. Een analyse.

Hoewel in de top-10 van het Nederlandse bedrijfsleven - met Koninklijke/Shell, Unilever en Philips op de eerste drie plaatsen - gedurende het afgelopen decennium maar weinig veranderd is, getuigen de regionen daarachter van veel grotere dynamiek. Bij de tien bedrijven die qua omzet in 1982 de grootste waren, werkten toen wereldwijd nog ruim een miljoen mensen. Dat was in 1992 teruggelopen tot 950.000. De grote multinationals, hoewel nog steeds zeer belangrijk voor de economie en de werkgelegenheid, nemen dus relatief in gewicht af. Terwijl vier van de top-tieners (Philips, Shell, Akzo en DSM) tussen 1982 en 1992 zo'n 130.000 banen afstootten, kregen de andere ondernemingen op de top-100 zo'n 260.000 mensen méér in dienst. Grosso modo, zo blijkt uit een analyse van de omzet-, winst- en werkgelegenheidscijfers van de grotere Nederlandse ondernemingen, is het beeld: naarmate een bedrijf lager op de top-100 (*) staat, heeft het (relatief) meer bijgedragen aan de economische groei en de werkgelegenheid.

Stijgers op de ranglijst zijn vooral voedingsmiddelen- en detailhandelsconcerns als Ahold, Douwe Egberts, Heineken, CCFriesland, DMV Campina. Opvallend is dat de kop van de ranglijst van meest winstgevende bedrijven uit de top-100 (in 1992) wordt gedomineerd door uitgevers en voedingsmiddelenconcerns. Grote winnaar is Elsevier, met een nettoresultaat van bijna 18 procent van de omzet. Op flinke afstand volgen Wolters-Kluwer en KPN, met respectabele winsten van nog steeds meer dan 10 procent van de omzet. Van de zeven daaropvolgende plaatsen zijn er vijf voor bedrijven uit de voedings- en genotmiddelenbranche (zie tabel). Dat is een flinke verandering ten opzichte van begin jaren tachtig, toen ondernemingen als IBM, Smit Internationale, Koninklijke/Shell en de HAL Trust tot de meest winstgevenden behoorden.

Het eerste dat bij een vergelijking tussen 1982 en 1992 in het oog springt is overigens dat het bedrijfsleven er in het laatste jaar veel gezonder uitziet dan in het dieptepunt van de crisis van begin jaren tachtig. De winsten van de best renderenden uit de top-100 van 1982 liepen toen uiteen van drie tot tien procent van de netto-omzet. Dat was in 1992 bijna tweemaal zoveel. Verder ontkracht de vergelijking de algemene opvatting dat de economische en de werkgelegenheidsgroei vooral uit het midden- en kleinbedrijf moeten komen. De toename van het aantal banen bij top-100 bedrijven ligt met negen procent gemiddeld genomen inderdaad lager dan de toename van het aantal werkenden (met banen van meer dan twintig uur) in geheel Nederland, die tussen 1982 en 1992 rond de vijftien procent bedroeg. Maar het probleem zit vooral bij de eerder genoemde inkrimpingen bij enkele zeer groten. Als we het werkgelegenheidsverlies bij hen buiten beschouwing laten, dan blijkt dat de overige bedrijven van de top-100 een ongeveer net zo grote banengroei hebben gekend als de economie als geheel. Gedurende de analyseperiode nam de Nederlandse beroepsbevolking met rond 30 procent (1,6 miljoen mensen) toe; bij de top-100 minus de paar grote verliezers werken anno 1992 eveneens meer dan 30 procent meer mensen dan in 1982.

Wel moet daarbij worden bedacht dat deze groei voor een deel optisch is; hij wordt enerzijds veroorzaakt door autonome groei, anderzijds ook door het actieve fusie- en acquisitiebeleid, dat met name de sub-top van het Nederlandse bedrijfsleven in de jaren tachtig voerde. Dit beleid heeft geleid tot flinke samenbundelingen, bijvoorbeeld in de zuivelsector, een een toename van de gemiddelde bedrijfsgrootte. Het is veelzeggend dat de top-100 van 1982 vijftien bedrijven met minder dan 1000 werknemers telde, terwijl er in 1992 nog maar zeven zijn. Wat het effect van fusies op de gemiddelde bedrijfsgrootte is, valt niet precies te zeggen. Desondanks: de autonome werkgelegenheidscreatie bij de top-100 ondernemingen lijkt zeker niet te mogen worden onderschat.

Wat uit de analyse van de ranglijsten verder opvalt is dat de de-industrialisering van de Nederlandse economie zich doorzet. De top-100 van 1992 bestaat voor ongeveer de helft uit stijgers en nieuwkomers (ten opzichte van 1982), terwijl de andere helft hetzij daalde, hetzij verdween door faillissement of overname. Van de dalers/verdwijners bestaat driekwart uit industriële bedrijven, van de stijgers/nieuwkomers de helft. Een en ander houdt in dat de huidige top-100 meer handels- en transportondernemingen telt dan die van tien jaar geleden. Enkele van de meest spectaculaire voorbeelden van dergelijke stijgers zijn de VRG-groep (handel in o.a. kantoormachines), die zijn omzet ongeveer verzesvoudigde, en de groothandelsgroep OTRA (o.a. elektrotechnische installatiematerialen), die nu driemaal zoveel omzet als in 1982.

De ranglijsten van Het Financieele Dagblad, waarop deze analyse is gebaseerd, bevatten alleen bedrijven in de sectoren industrie (inclusief bouw), handel en transport. Banken, accountants en andere zakelijke dienstverleners vallen erbuiten. Toch zijn ook over deze branches wel cijfers beschikbaar die aangeven hoe zij het in de afgelopen tien jaar gedaan hebben. Een selectie van 14 grotere adviesbureaus, architectenbureaus en automatiseringsbedrijven die ook in 1982 al bestonden geeft het volgende beeld: een verviervoudiging van de omzet en een verdrievoudiging van het personeelsbestand. Niet geheel onverwacht springen vooral de automatiseerders er uit, met een zes tot zeven maal grotere omzet en een vijfmaal zo groot personeelsbestand. Hoewel ook hier rekening gehouden moet worden met de vertekenendde effecten van fusies en overnames, moge duidelijk zijn dat dat de zakelijke dienstverlening gemiddeld genomen veel sterker is gegroeid dan industrie, handel en transport. De banken vormen hierop trouwens weer een uitzondering. Het bankwezen telt anno 1992 een kwart meer werknemers dan in 1982, een groei als minder dan gemiddeld moet worden aangemerkt.

Als één ding duidelijk is, dan wel dat het adagium 'winst maakt werk' volop geldig blijft. De banengroei komt logischerwijs vooral van de stijgers en nieuwkomers in de top-100. Er is daarentegen geen bewijs voor de gedachte dat er een samenhang zit tussen onderzoeks- en ontwikkelingsinspanningen en de groei van ondernemingen. Dat geldt wellicht wel voor typisch industriële bedrijven als Océ-van der Grinten of Stork. Maar als gezegd: een belangrijk deel van de succesvolle bedrijven uit de top-100 behoort tot de handelsondernemingen en de voedings- en genotmiddelenbranche, terwijl vijf van de tien meest winstgevende uit dezelfde branche stammen. In deze bedrijfstakken gaat het meer om marketingdeskundigheid en om het succesvol toepassen van bestaande moderne technologieën dan om het eigen onderzoeksvernuft.

De zorgen van het ministerie van Economische Zaken over de teruglopende investeringen in R&D, die onlangs breed uitgemeten in de kranten verschenen, lijken tegen deze achtergrond enige nuancering te behoeven. Het zijn zeker niet uitsluitend de research-intensieve bedrijven die de grootste successen boeken. Bovendien kan een afname van eigen R&D worden gecompenseerd door kennis die bedrijven zich van elders aanschaffen, in de vorm van machines en licenties. Het tekort op de handelsbalans voor technologische kennis, dat groeiende is, kan zo bezien ook positief worden uitgelegd. Nederland exporteert dan misschien niet veel zelf ontwikkelde kennis, de kennis-importen weerspiegelen de neiging om bij te blijven in de internationale race om efficiencyverhoging.

* Top-100 uit industrie, handel en transport, zoals jaarlijks samengesteld door Het Financieele Dagblad.