Voor zijn leven

Als het begint te onweren, zegt hij, zie ik soms een jongetje dat rent voor zijn leven, alsof de duivel hem op zijn hielen zit.

Hij legt zijn vuist op zijn borst en suggereert een bonkend hart.

Ik was , zegt hij, nog maar een jaar of vijf, niet groot genoeg voor kattekwaad. We zaten in een boomgaard, gapten appeltjes. Opeens roept iemand: daar komt iemand aan. We rennen weg. Er rommelt omweer in de heuvels verderop. Ze hadden me toen net verteld dat je onweer kreeg als je een lieveheersbeestje had doodgemaakt en helaas, op het punt van lieveheersbeestjes was mijn geweten niet helemaal zuiver. De lange weg af naar het dorp. Naast me rijdt een jongen op een fiets. Die jongen is ouder dan ik. Die jongen is groter dan ik. En bovendien die fiets. Ik kijk hem aan, hij kijkt mij aan. In mijn ogen een en al paniek, in de zijne een doodbedaard soort belangstelling. Hij kijkt naar mij alsof ik maar een proefdier ben.

En in de tussentijd, zegt hij, ben ik het ook op die manier gaan zien. Ik zie dat jongetje dat rent voor zijn leven door de ogen van die jongen op de fiets. Alsof hij náást me loopt, alsof het maar een proefdier is. Maar wat voor proef, maar wie daar iets bewijzen wil...geen flauw idee. Ik weet alleen dat ik hem niet zal helpen.

Hij kijkt langs mijn gezicht de verte in. Ik draai me om. Het zou me niet verbazen als het al onweert boven zee.