Tussen Wagner en Berlioz

Concert: Le Roi Arthus van E. Chausson door het Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Edo de Waart m.m.v. o.a. Marcel Vanaud, Carol Yahr, David Kuebler, René Massis en Peter Jeffes. Gehoord: 18/6 Concertgebouw Amsterdam.

Toen Ernest Chausson in 1899 op 44-jarige leeftijd overleed na een ongeluk met zijn fiets, lag zijn opera Le Roi Arthus, waaraan hij tien jaar lang had gewerkt, al vier jaar onuitgevoerd op de plank. Pas in 1903 beleefde het stuk zijn wereldpremière in de Brusselse Muntschouwburg. Afgelopen zaterdag kreeg Le Roi Arthus in het Holland Festival de Nederlandse première tijdens een concertante uitvoering in de Matinee op de Vrije Zaterdag, van twee uur tot half zes gedirigeerd door Edo de Waart. De conclusie kan zijn dat Chaussons enige uitgegeven opera - in de tijd gezien - een niet veel meer dan interessant verschijnsel is te noemen. Maar daartoe had men bijna evengoed de Erato-opname uit 1987 o.l.v. Armin Jordan kunnen draaien.

Le Roi Arthus (Koning Arthur) gaat op Chaussons eigen tekst over de liefde tussen de Ronde Tafelridder Lancelot en koningin Guenièvre - een klassiek loyaliteitsconflict tussen trouw aan de koning en de passie voor diens echtgenote. De beide gelieven gaan eraan tegronde, zij wurgt zichzelf met haar vlechten, hij sterft in de strijd. Arthur blijft glorieus idealistisch, maar eenzaam achter: hij vaart de ondergaande zon tegemoet, op weg naar zijn tot op heden legendarische roem.

Het mythische gegeven lijkt sterk op Wagners opera over Tristan, Isolde en haar bruidegom koning Marke. Ook Chaussons muziek is die van een fervente Wagnerliefhebber - in de ouverture klinken Rienzi en de Walkürenritt door elkaar heen. Het grote duet in de tweede acte tussen Lancelot en Guenièvre brengt het Tristan-duet O sink hernieder, Nacht der Liebe in gedachten.

Chausson blijft echter wel duidelijk een lyrische Fransman, maar dan herinnert weer veel aan Berlioz. Het liefdesduet in de eerste acte en het door Peter Jeffes zo prachtig gezongen lied van de ploegende boer doen denken aan La damnation de Faust. En de door het koor en vijf solo-sopranen gezongen langzaam uitdunnende stralende slotscène met de ondergaande zon lijkt avant la lettre het complement op het slot van Schönbergs Gurrelieder (1913), die eindigt met een steeds sterker magistraal stralende opkomende zon.

In De Waarts interpretatie lag de nadruk duidelijk op de Wagneriaanse kant van Chausson, die wel met veel dynamische nuances werd gespeeld (zoals een fraaie inleiding van de derde acte), maar in de expressie en klankkleuren wat meer Franse subtiliteit had verdiend. Maar dat de uitvoering als geheel wat teleurstelde lag vooral aan de solisten, die net niet berekend waren op het ideaal. Marcel Vanaud maakte zeker veel indruk in de titelrol, maar bleek als personage toch zo eenduidig dat hij door niets van zijn stuk te krijgen leek.

De tenor David Kuebler heeft voor Lancelot een wat te beperkte stem en mist een geïnspireerde lyrische présence, de sopraan Carol Yahr heeft een af en toe wat scherpe uitstraling en een al te monotone expressie. Pas in het slot van hun sterfscènes klonk enige emotie.