Porren in een 'slapende vulkaan'; Extremisme Macedonië wint bij elke uitslag volkstelling

Morgen begint Macedonië een nieuwe volkstelling, de tweede al sinds 1991. De telling, die twee weken in beslag neemt, moet duidelijk maken hoe groot eigenlijk de Albanese minderheid in Macedonië is. De uitslag en de reacties daarop worden mede-bepalend voor de vraag of de wankele binnenlandse vrede kan worden gehandhaafd.

Albanezen zijn de grootste minderheid in de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië. Volgens de volkstelling van 1991 wonen er 480.000 Albanezen, of 21 procent van de 2,3 miljoen inwoners. Behalve 1,4 miljoen Macedoniërs (64 procent) wonen er ook nog Serviërs, Vlachen, Turken, Bulgaren, Torbeshi (Macedonische moslims) en Roma (zigeuners).

De Albanezen zelf beweren echter niet twintig, maar wel veertig procent van de Macedonische bevolking uit te maken - en om uit te maken of dat klopt moeten de Macedoniërs zich vanaf morgen opnieuw laten tellen. De belangrijkste partij van de Albanezen, de Partij voor Democratische Vooruitgang (PDP), boycotte in 1991 de volkstelling omdat de enquêteformulieren alleen in het Macedonisch waren opgesteld. De PDP houdt het erop dat de helft van de minderheid indertijd niet aan de telling heeft deelgenomen.

De islamitische Albanezen en de orthodoxe Macedoniërs leven niet op goede voet met elkaar. Ze leven eigenlijk eerder naast dan mèt elkaar: van integratie is geen sprake. De Albanezen, die in het westen van de republiek wonen en hun belangrijkste bolwerk in Tetovo hebben, ten westen van de hoofdstad Skopje, klagen dat ze in de grondwet als minderheid worden aangemerkt en niet als een 'staatsdragend' volk; dat ze hun taal en hun Latijnse schrift alleen in hun eigen gebied mogen gebruiken; en dat ze worden gediscrimineerd.

Zo is een kwart van alle leerlingen op de lagere scholen Albanees, maar maken Albanezen slechts 7,7 procent uit van de middelbare scholieren en maar anderhalf procent van studenten aan de universiteit. Bij defensie is 3,4 procent van de officieren Albanees, bij de politie is maar 2,8 procent van het personeel en bij justitie maar 1,8 procent Albanees. Volgens een opiniepeiling heeft 86 procent van de Albanezen het gevoel als tweederangsburger te worden behandeld; 66 procent achtte de relaties met de Macedoniërs slecht.

De moeizame relatie tussen de twee gemeenschappen is sinds 1991 als een tijdbom blijven liggen onder de binnenlandse verhoudingen, die toch al worden gecompliceerd door de Griekse boycot, de internationale sancties tegen noorderbuur Joegoslavië, de economische crisis die van die blokkades het gevolg is, de verhulde (en soms onverhulde) aanspraken van Joegoslavië en Bulgarije op Macedonisch grondgebied, de Albanese bemoeienis met de minderheid in Macedonië en de weigering van Europa en de wereld Macedonië te erkennen onder zijn zelfgekozen naam.

Hoe slecht de relaties tussen de bevolkingsgroepen zijn bleek half mei nog eens, toen in Tetovo een vriendschappelijke voetbalwedstrijd werd gespeeld tussen Albanië en Macedonië. Van vriendschap was weinig sprake. De Albanezen werden uitgejouwd, er werd vanaf de tribunes geroepen om een 'etnisch zuiver Macedonië' en de Servische leider Miloševic werd in spreekkoren geprezen om zijn Kosovo-beleid. “We werden als natie beledigd in de smerigste taal en met een voorraad scheldwoorden waar de diepst gevallen gootbewoner jaloers op zou zijn”, schreef later boos het Albanese blad Joha Kone. “De anti-Albanese hysterie ging zover dat de luchtvaartmaatschappij werd geprezen waarvan vliegtuigen in Skopje en Ohrid zijn neergestort.”

Het is eigenlijk een wonder dat het de afgelopen jaren rustig is gebleven in Macedonië. De PDP is, ondanks al haar grieven, deel blijven uitmaken van de coalitieregering, waarin ze vijf ministersposten bezet. Dit tot ongenoegen van de grootste partij van het land, de nationalistische, anti-Albanese VMRO-DPMNE van de dichter Ljupco Georgievski, die de oppositie aanvoert. Dat het niet tot incidenten en geweld is gekomen, is vooral te danken aan het besef, dat geweld in Macedonië de hele zuidelijke Balkan in brand zou zetten: Albanië en Servië zouden niet afzijdig blijven en ook Bulgarije en Griekenland en zelfs Turkije zouden zich dan met het conflict bemoeien. Hoezeer de vrede gevaar loopt bleek de afgelopen week uit de bezorgde commentaren in Skopje op het toenemende aantal incidenten met Servische militairen langs de grens met Servië in het noorden.

Het is enkele keren kantje boord geweest - in november vorig jaar bijvoorbeeld, toen dertig Albanezen werden aangehouden wegens separatisme, wapensmokkel en de vorming van een 'bevrijdingsleger' dat 20.000 man moest omvatten. Onder de arrestanten bevonden zich twee onderministers, leden van de PDP. De PDP zelf werd echter al snel vrijgepleit van medeplichtigheid aan separatistische actie en escalatie werd voorkomen.

De nieuwe volkstelling is een initiatief van de Europese Unie en de Raad van Europa en wordt door Europese waarnemers gevolgd en door de EU betaald. De formulieren zijn opgesteld in het Macedonisch, Albanees, Turks, Servisch, Vlachs en Rom, de taal van de zigeuners - niet in het Bulgaars, aanleiding voor de leider van de Bulgaarse minderheid om een boycot uit te roepen. Ook de Serviërs (2,3 procent van de bevolking) boycotten de telling. 'Europa' hoopt niettemin dat de volkstelling kan leiden tot de vestiging van instituten waarin de etnische verhoudingen worden weerspiegeld en gaat ervan uit dat de etnische en politieke stabiliteit met de telling wordt gediend.

Het tegendeel zou wel eens het geval kunnen zijn. Als het percentage Albanezen echter hoger uitvalt dan de Macedoniërs lief is - en dat ligt welhaast voor de hand - zullen de nationalisten van de VMRO zich aangemoedigd voelen en dat kan tot crises en geweld leiden; zij zien in het gebruik van meerdere talen bij de telling al het begin van “de desintegratie van Macedonië”. Als daarentegen het percentage Albanezen lager uitvalt dan de veertig procent waarvan de Albanezen zelf uitgaan, speelt dat de extremisten aan Albanese kant in de kaart, en ook dat kan leiden tot instabiliteit en mogelijk geweld.

De Albanezen radicaliseren toch al snel. In februari voltrok zich binnen de PDP een scheuring tussen de gematigde leiding - die deel uitmaakt van de regering - en een radicale vleugel onder de 28-jarige Menduh Thaci. De PDP-leiding stapte uit het bestuur (maar niet uit de regering) en sindsdien maken de aanhangers van Thaci de dienst uit. Thaci verwijt de oude PDP-leiders de Macedoniërs teveel concessies te hebben gedaan; de matiging die de PDP tot dusverre heeft betracht heeft de Albanezen niets opgeleverd. Thaci zegt geen radicaal te zijn (“Ik kan willen dat alle Albanezen in één land wonen, maar als politicus heb ik mijn verantwoordelijkheden tegenover mijn eigen volk en die waarmee we samenleven”), maar zijn minimumeisen - zoals tweetaligheid en een federatie naar Belgisch model - zijn voor zowel de Macedonische nationalisten als de regering onbespreekbaar: een federatie zou neerkomen op de facto onafhankelijkheid van de gebieden van de Albanezen.

Thaci heeft de volkstelling al bij voorbaat als onbetrouwbaar bestempeld, omdat “slechts een van de 240 werknemers van het bureau voor de statistiek Albanees is” en omdat voor deelname aan de volkstelling een Macedonisch identiteitsbewijs nodig is; naar zijn zeggen stelt tachtig procent van de Albanezen - onder wie tienduizenden vluchtelingen uit Kosovo die soms al vele jaren in Macedonië wonen - het nog steeds met de oude Joegoslavische pas.

Macedonië is al drie jaar een slapende vulkaan. De volkstelling zal extremisten in beide kampen, het Macedonische en het Albanese, munitie verschaffen en de regering voor een ernstig dilemma plaatsen: toegeven aan de eisen die de Albanezen aan de uitslag zullen ontlenen leidt tot aanmoediging van de Macedonische nationalisten, afwijzing echter leidt tot aanmoedigig van het Albanese nationalisme. In beide gevallen komt de vrede aan een zijden draad te hangen.