POETRY INTERNATIONAL; Gedichten die aandrijven als flauwe rimpelingen

Ik ben hier nu wel op Poetry International in Rotterdam, maar opeens herinner ik me hoe ik in maart in Utrecht de Nacht van de Poëzie verliet, lang voor het einde. Ik houd niet van poëzie die wordt voorgelezen vanachter een reusachtige, in blauwe papieren strikken gehulde lessenaar waarop het kopje van de dichter(es) ligt als een onbebroed ei, terwijl links en rechts monsterachtig grote videoschermen het publiek al de zenuwtrekkinkjes en zweetdroppels onthullen die horen bij optreden - en zeker niet als het overal naar aangebrand stokbrood met kaas en ui ruikt. Mijn hart sprong op van vreugde toen ik, op weg naar het station, in het verder verlaten Hoog Catharijne zwervers, verslaafden, honkbalpetdragers en lorrige meisjes bijeen zag hokken, ruziënd, nee eerder kibbelend als in huiselijke kring, drinkend en mompelend. Eindelijk weer gewone mensen, dacht ik, in de koude voorjaarsnacht zingen de nachtegalen en onsterfelijk zijn ze allerminst. De wereld bestond weer.

Daaraan denk ik terwijl ik zie hoe hier in de spiegelende lessenaars waarachter de dichters lezen en zingen, de buitenwereld van lommer en schemer wiegt, als in een aquarium. Decorstuk op het podium is een grote, gele, kartonnen Boeddhakop. Het zachtpaarse jakje van Rein Bloem steekt er complementair, rein en bloemig tegen af. De ruimte, waar na een gelezen vers wat verre voetstappen of babykreetjes klinken, is lichtelijk nirwanisch. Witte ruis waarbij poëzie gedijt. We zijn met z'n tweehonderden, schat ik.

Wat is poëzie? De onverhoedse ontmoeting tussen werkelijkheid en literatuur - waar alles al geschreven staat. Zo leest men in Finnegans Wake (1939) van James Joyce op bladzij 540: “Lubbers, kepp your poudies drier!” Een duidelijke waarschuwing aan onze op een hoog ambt jagende premier: Lubbers, houd je kruit droger! Had hij het maar gelezen - maar de poëzie schuilt in het feit dat hij dat niet deed. De betekenis van Joyce's regel is nu pas ontsloten, door de werkelijkheid.

Zo is ook Poetry International een wonderlijke vleeswording van het woord. Joyce sprak op bladzij 482 Lucas Hüsgen toe: “Haltstille, Lucas and Dublinn! Vulva! Vulva! Vulva! Vulva!” Gejuich waar ik van harte mee instem. Haltstille, dat wil zeggen: jammer, geen Buddingh'-prijs. Dublinn! Havenstad, rivierstad, Rotterdam. Hüsgen leest, nee gesticuleert met zijn stem, koket en dansant, hij zingtzegt woorden als voor het eerst. Wieie? met de lichamen van tuinkabouters en met de scherpzinnigheid / de mastodont die zich kan spoelen / en dat zijn alle bootjes? /// jaah, dat zijn alle bootjes. / naast de parkjes landen we met klokjes en zoeken wekenlang tussen sierstruiken hoogklimmend naar het goudkleurig omslag // liefdes griezelgeschiedenis rond de twaalf ingevrorenen.” De twaalf gezworenen. “Ja, de gedachten laten dwarrelen // transformeren tot vlek.” Hüsgen verdient een cd.

Dat ik ook deze avond lang voor het einde vertrok had een tegengestelde reden: ik was innerlijk geheel verstild door de weldadige sfeer in het badhuis dat men Doelen noemt. Gedichten dreven aan als flauwe rimpelingen, “wind die het water zijn spieren toont” (L.F. Rosen). “Vanavond een vis proberen” (de bekroonde F. van Dixhoorn), en ook was er een potvis die in vertaling getransformeerd werd tot spermawalvis (Kazuko Shiraishi). De extase kwam zo abrupt als het hoort: Duo Duo zong O Sole Mio / O Sole Mio zong Duo Duo.

Waarom Finnegans Wake, hoor ik in de verte denken. Er is geen internationaler poëzieboek op de wereld. Hoor maar hoe Babels: “Mulo Mulelo! Homo Humilo! Dauncy a deady O! Dood dood dood! O Bawse! O Boese! O Muerther! O Mord! Mahmato! Moutmaro! O Schmirtsch! O Smertz! Woh Hillill! Woe Hallall! Thou Thuoni! Thou Thaunaton! Umartir! Udamnor! Tschitt! Mergue!” Shit, merde, jawel, er is veel oorlog dezer dagen. Poetry troost, kost maar een krats, en je hoeft niet eens stil te zitten of te klappen.