Onduidelijkheid blijft bestaan over bedoelingen N-Korea

Heeft de voormalige Amerikaanse president Jimmy Carter met zijn reis naar Noord-Korea, vorige week, een dreigende crisis in Oost-Azië bezworen en de aanzet gegeven voor een werkelijke dialoog van de twee Korea's?

Carter, die zaterdag terugkeerde uit Pyongyang, vindt zelf van wel. “De crisis is voorbij”, zei hij monter. De Noordkoreaanse leider Kim Il Sung kondigde tijdens het bezoek aan dat hij op korte termijn bereid is tot een historische topontmoeting met zijn Zuidkoreaanse ambtgenoot Kim Young Sam. Is dit de opmaat naar een grote doorbraak, een vredesregeling, op het Koreaanse schiereiland, waar een wapenstilstand uit 1953 de twee Korea's weerhoudt van verdere oorlogshandelingen?

De geschiedenis van de afgelopen twintig jaar biedt weinig reden voor een dergelijk optimisme. Anders dan Carter is de huidige Amerikaanse regering ook van mening dat de Noordkoreaanse toezeggingen (onder andere opschorting van het nucleaire programma en vervanging van de grafiet-centrales) eerst moeten worden waargemaakt. “Het zou best eens kunnen zijn dat president Carter iets mee terug heeft genomen waarop we kunnen bouwen”, zei een zeer voorzichtige onderminister Robert Gallucci gisteren.

Washington onderstreepte begin vorige week dat Carters missie op uitnodiging van de Noordkoreanen plaatshad en strikt 'privé' van karakter was. Carter dacht daar zelf anders over; vrijdag verzekerde hij Kim Il Sung dat hij in “veelvuldig contact” met het Witte Huis had gestaan en dat de Verenigde Staten bereid waren hun voornemen om sancties tegen Noord-Korea te treffen op te schorten. Clinton zette dezelfde dag Carter op zijn nummer en zei dat van het afblazen van eventuele stappen tegen Pyongyang, wegens het ingebreke blijven bij internationale inspectie van zijn kerncentrales, nog geen sprake kon zijn. De Amerikaanse regering erkende gisteren dan toch het baanbrekende werk van Carter, maar eist van Noord-Korea een geschreven bevestiging van zijn bereidheid tot 'goed gedrag'.

Op het Koreaanse schiereiland zelf herhaalt de geschiedenis zich: de afgelopen twintig jaar waren Noord- en Zuid-Korea in een voortdurend proces van aantrekken en afstoten verwikkeld.

Op 4 juli 1972 tekenden de twee landen voor het eerst een gezamenlijke verklaring, die de inleiding had moeten vormen op een snelle toenadering. 'Vreedzame hereniging' van het communistische, stalinistische geleide noorden met het kapitalistische, toen nog dictatoriaal geregeerde zuiden werd als hoofddoel geformuleerd.

In de 22 jaar die volgden werden periodes van relatieve ontspanning, waarin vredesbesprekingen plaatshadden, afgewisseld door felle aanvallen over en weer, zonder dat er feitelijk iets wezenlijks in de wederzijdse betrekkingen veranderde. Ook het idee van een topontmoeting is verscheidene malen geopperd. De totale onverenigbaarheid van beide systemen bleek telkens sterker dan het intense verlangen van alle Koreanen - daarover bestaat geen verschil van mening - tot hereniging van hun vaderland.

Op 4 september 1990 schudden de premiers van beide Korea's elkaar de hand in de bestandplaats Panmunjom. Ook dat leek even op het begin van een doorbraak, maar verder dan uitwisselingen van beleefdheid kwam het niet. De enige nieuwe ontwikkeling die zich voordeed was het opbouwen van wederzijdse handel. Maar dit kwam eerder voort uit noodzaak (voor Noord-Korea) dan uit overtuiging - het vrijwel geheel wegvallen van de handel met de ex-Sovjet-Unie, tot 1991 Noord-Korea's grootste handelspartner, dwong Pyongyang zich tot het zuiden te wenden.

Begin 1993 waren de politieke situatie op het Koreaanse schiereiland en de inter-Koreaanse betrekkingen in de zoveelste impasse terechtgekomen, toen Pyongyang weigerde nog langer inspectie van zijn nucleaire installaties toe te staan. Besprekingen tussen de delegaties uit noord en zuid gingen wel door, maar in een zeer slechte sfeer.

De blijvende weigerachtigheid van Noord-Korea om zijn kerncentrales open te stellen voor internationale inspectie leidde vanaf februari tot het oplopen van de spanningen en het steeds dichterbij komen van internationale sancties die Noord-Korea op andere gedachten zouden moeten brengen.

Die sancties zijn nu weer even van de baan, maar geldt dat ook voor het Noordkoreaanse voornemen een eigen kernwapen te maken? De voormalige directeur van de CIA, Robert Gates, beantwoordt die vraag ontkennend. Gates schrijft vandaag in de International Herald Tribune dat Kim Il Sung al jaren een kernbom wilde maken en dat hem dat ook is gelukt. Hij waarschuwt voor een Amerikaanse onderschatting van het gevaar van Kim Il Sung. De Russische regering daarentegen gaf het afgelopen weekeinde als haar mening dat Noord-Korea nog geen 'bom' heeft en deze voorlopig ook nog niet kan maken. De Korea-kwestie is terug bij het begin, er is nog geen enkele vraag beantwoord.