Nederlandse hulp voor vrijgelaten Palestijnse mannen; Ruim 100 mannen zaten vast na moord op collaborateurs

JERICHO, 20 JUNI. Namens Nederland heeft D. Rosenberg Polak, de tweede man van de Nederlandse ambassade in Tel Aviv, vrijdag drie cheques overhandigd aan Saeb Arekat. Hij is één van de door Yasser Arafat benoemde ministers in het Palestijnse bestuur van de autonome gebieden. De overhandiging van het geld had plaats in Jericho in het gebouw van het Al Bir-Genootschap voor de Zorg voor Martelaren.

Het bedrag van 45.000 gulden is bedoeld om 285 door Israel in het kader van het Akkoord van Kairo vrijgelaten Palestijnse gevangenen voedsel, kleding en huishoudelijke benodigdheden te verstrekken: 133 van deze 285 gevangenen waren door Israel tot levenslang veroordeeld wegens moord op Palestijnse collaborateurs.

De cheques van Bank Hapoalim, elk ter waarde van achtduizend dollar, waren op naam van dr. Saeb Arekat uitgeschreven. Het geld is afkomstig uit de KAP-pot (Kleine Ambassade Projekten). In ontwikkelingslanden wordt die pot door Nederlandse ambassades aangewend om snel en op kleine schaal - buiten alle bureaucratische rompslomp om - hulp te verlenen.

“Drie dagen geleden kwam een ambtelijke missie van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking naar Jericho”, aldus Rosenberg Polak. “Zij waren zo geëmotioneerd over de verschrikkelijke omstandigheden van de vrijgelaten gevangenen dat zij in principe de toezegging gaven noodhulp te geven. Zij benaderden ons meteen en wij vonden dat we iets moesten doen.”

Maar Saeb Arekat was bij het in ontvangst nemen van de cheques en het tekenen van de voorwaarden niet alleen zichtbaar, doch ook hoorbaar ontevreden over de zijns inziens “kleine bedragen”. “Wij hebben de UNWRA (de VN-organisatie voor hulp aan Palestijnse vluchtelingen, red.) en de Hollanders om caravans gevraagd”, zei hij. Tot de voorwaarden, waaraan Arekat moet voldoen, behoort de verplichting om nota's aan de Nederlandse ambassade te overleggen over de besteding van het geld. Maar Rosenberg Polak geeft toe dat “de besteding moeilijk te controleren zal zijn”.

Na overhandiging van de cheques zei één van de aanwezige vertegenwoordigers van het Comitee van Gevangenen dat de vrijgelatenen “niets hebben: geen zeep, geen matrassen en geen eten”. Even later bleek echter bij een bezoek aan één van de drie opvangcentra - een school, waarvan de scholieren tot september op vakantie zijn - dat de noodlijdenden een ijskast op hun slaapzaal hadden, alsmede bedden en matrassen van de op vakantie zijnde leerlingen, terwijl in kleding, handdoeken en andere artikelen reeds was voorzien door familie en vrienden die in groten getale de vrijgelatenen bezoeken. Bovendien hadden zij, naar eigen zeggen, bij hun vrijlating van het Palestijns bestuur 500 dollar gekregen.

Toch vonden zij dat zij “in een nieuwe gevangenis beland waren”. Niet dat ze het opvangcentrum niet uitkonden, legden ze uit, “want we kunnen vrij gaan en staan in Jericho. Maar we hebben geen identiteitspapieren en zullen, als we over de sluikwegen naar huis teruggaan, alsnog door Israel worden opgepakt en in de gevangenis worden gegooid.” Krachtens het Akkoord van Kairo tussen Israel en de PLO moeten vrijgelaten gevangenen die wegens moord en andere zware misdrijven werden veroordeeld, de tijd van hun nog resterende gevangenisstraf in de autonome gebieden doorbrengen. “In elk geval blijven we hier tot volgende week”, zeiden ze. “Want er worden nu onderhandelingen gevoerd of we niet toch gewoon naar huis terug kunnen.”

Op de vraag waarom Nederland dit soort noodhulp geeft terwijl het de vrijgelatenen aan weinig ontbreekt, verklaarde Rosenberg-Polak: “Hier zijn vrijgelaten Palestijnen die in het kader van de strijd gevangen zijn gezet. Ze zijn in de problemen omdat ze door Israel plotseling in Jericho zijn geplaatst. Wij kunnen een bijdrage leveren aan een oplossing van die problemen.”