Kans op inzage in het eigen BVD-dossier neemt toe

ROTTERDAM, 20 JUNI. “De veiligheid van de staat zou kunnen worden geschaad door het verstrekken van informatie, ook indien de inhoud van die informatie op zichzelf geen betrekking heeft op de staatsveiligheid”. Dit is geen passage uit een boek van Kafka maar onderdeel van de brief waarin wijlen minister Dales (binnenlandse zaken) eind 1990 een inwoner van Haarlem weigerde antwoord te geven op zijn vraag of er een BVD-dossier over hem bestond, laat staan over wat daar eventueel in zou kunnen staan.

De betrokkene had samen met een ander op het strand bij Huisduinen een logboek gevonden dat mogelijk van een Sowjet-onderzeeër afkomstig was. Via het reddingsmuseum Dorus Rijker is het logboek waarschijnlijk bij de inlichtingendienst beland. Tegen de vinder werd een buurtonderzoek ingesteld door de Politie Inlichtingendienst (PID, de plaatselijke afdeling van de BVD) en hij kreeg de indruk dat er rare verhalen over hem in omloop werden gebracht. Minister Dales gaf toe dat dit onderzoek was begonnen “zonder dat daarvoor redenen voorhanden waren”. Elke verdere mededeling zou echter het gevaar in zich bergen dat daardoor inzicht wordt gegeven in de werkwijze van de dienst als gevolg waarvan het functioneren van de BVD zou kunnen worden ondergraven.

Dit is de standaard-motivering waarop menig verzoek om informatie over een BVD-dossier is gestrand. De afgelopen week echter heeft de Afdeling rechtspraak van de Raad van State deze redenering te licht bevonden. Zowel in de Haarlemse zaak als in het geval van een van de intiatiefnemers van de beweging Stop Dodewaard verklaarde het college dat een verzoek om inzage in het BVD-dossier niet zonder meer kan worden afgewimpeld. In de zaak van het aangespoelde logboek herinneren de rechters er aan dat de minister van binnenlandse zaken zelf zei dat het BVD-onderzoek onnodig was, zodat moeilijk valt in te zien hoe de staatsveiligheid nu nog een beletsel vormt voor een behoorlijk antwoord. In het tweede geval wijzen de de staatsraden er op dat het om activiteiten gaat uit de jaren zeventig, bijna vijftien jaar geleden, en dat de hele anti-Dodewaardbeweging trouwens al geruime tijd tot het verleden behoort.

Deze uitspraken markeren een omslag. Tot dusver heeft de Raad van State niet in willen gaan op verzoeken om uitsluitsel over BVD-dossiers, noteert mr. A.A.L.Beers in de jongste aflevering van de vakpublicatie Administratiefrechtelijke Beslissingen. Hij is als specialist in openbaarheid van bestuur verbonden aan de Katholieke Universiteit Brabant. Nog eind 1992 hield het rechtscollege het er op dat de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van 1988 geen ruimte laat voor uitsluitsel. De wet zelf zegt hier overigens niets over maar delegeert deze aangelegenheid aan de ministers van binnenlandse zaken die samen met de minister van justitie het Privacyreglement BVD heeft opgesteld.

Dit sluit kennisneming door de betrokkene van zijn dossier of zelfs van het enkele feit van opneming in de BVD-bestanden categorisch uit. “Een recht op inzage kan nu eenmaal niet aan een burger worden verleend zonder dat dit ten koste zou gaan van het werk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten”, verklaarde de toenmalige minister van justitie Korthals Altes op 6 november 1985 in de Tweede Kamer. Slechts een enkeling als het voormalig Kamerlid Van Es verklaarde zich het daar niet mee eens.

De reden om deze muur van zwijgzaamheid thans toch te doorbreken vormt het recht op privacy zoals dat is neergelegd in het Europees verdrag voor de mensenrechten. Op zichzelf verbiedt dit niet het aanleggen van geheime dossiers in belang van de staatsveiligheid, zei het Europese Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg in een Zweedse zaak uit 1987 over het antecedentenonderzoek van de scheeptimmerman Leander. Het hof verbond daaraan echter wel enkele voorwaarden. Er dient een duidelijke wet te zijn, zodat de burger weet waar hij aan toe is, en de burger heeft ook recht op een instantie die het werk van de veiligheidsdiensten toetst.

Aan deze eisen voldoet ons land niet, zegt de Raad van State. De burger kan met klachten terecht bij de Nationale ombudsman en de Vaste Kamercommissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, maar de een kan slechts aanbevelingen doen en de ander is niet bij de wet geregeld, zoals het Europees verdrag vereist. Bovendien zegt de wettelijke taakomschrijving van de BVD niet voldoende precies onder welke omstandigheden gegevens over personen mogen worden ingezameld.

De Raad van State concludeert dat de overheid zich dan niet ook nog eens in algemene bewoordingen kan afmaken van een verzoek om informatie. Het college heeft er begrip voor dat sommige onderzoeken geheim moeten blijven, maar als het enigszins mogelijk is dient betrokkene na afloop op de hoogte te worden gesteld. Op zichzelf is daarin betrekkelijk eenvoudig te voorzien door het Privacyreglement te repareren. Dat is een kwestie van twee ministers waar de wetgever niet aan te pas hoeft te komen. De kritiek van de Raad van State op de taakomschrijving en de controle gaat echter verder en roept de vraag op of een herziening van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten niet noodzakelijk is.