India waardeert doelmatige Rao

NEW DELHI, 20 JUNI. Toen de Indiase Congrespartij in de dramatische dagen na de moord op Rajiv Gandhi, in mei 1991, P.V. Narasimha Rao aanwees als diens opvolger, werd de nieuwe premier algemeen beschouwd als een krachteloze tussenpaus. De bejaarde, van elk charisma gespeende Rao, die bovendien worstelde met een zwakke gezondheid, zou wel spoedig het veld moeten ruimen voor een figuur van zwaarder kaliber.

Drie jaar later heeft Rao zijn critici van destijds grotendeels de mond gesnoerd. Niet alleen staat de kleine man met zijn onafscheidelijke shawl nog steeds aan het hoofd van de regering en van de Congrespartij, zijn positie is op het ogenblik sterker dan ooit. Welgemoed heeft de inmiddels 73-jarige Rao laten weten dat hij het lijsttrekkerschap van zijn partij ambieert bij de verkiezingen van 1996.

Het afgelopen weekeinde bleek de dominantie van Rao nog eens overduidelijk op een grote partijbijeenkomst in New Delhi. Niemand van de jongere garde waagde het in het openbaar dissidente geluiden te laten horen. Een aantal vooraanstaande rivalen, voorop minister van onderwijs Arjun Singh en de premier van de deelstaat Maharashtra, Sharad Pawar, die zich vorig jaar al nadrukkelijk warmliepen in de coulissen, houden zich nu koest.

De bijeenkomst in New Delhi ontaardde dan ook in een slaapverwekkende vertoning. Journalisten en gedelegeerden leefden slechts even op toen Sonia Gandhi, de weduwe van Rajiv, de zaal betrad. Zonder veel houvast speculeerde de Indiase pers vervolgens om het hardst of Sonia zich alsnog actief in de politiek wil storten.

Nog maar een jaar geleden leek Rao bezig met zijn politieke doodsstrijd. Een omstreden beursmakelaar, Harshad Mehta, beschuldigde de premier ervan een grote som rupees van hem te hebben aangenomen in steekpenningen. Rao verweerde zich slechts slapjes en raakte steeds dieper in moeilijkheden.

De aantijgingen kwamen voor Rao op een ongelukkig moment. India was nog nauwelijks bekomen van de bloedige onlusten die zich in de maanden daarvoor tussen hindoes en moslims hadden voorgedaan. De regering stond bloot aan heftige kritiek wegens haar weinig doortastende optreden. Ze had bij voorbeeld radicale hindoes in Ayodhya in december 1992 geen strobreed in de weg gelegd bij hun verwoesting van de Babri-moskee. Een complicerende factor was voorts dat de regering in het parlement geen meerderheid had. Telkens weer moest er zwaar worden gelobbyd om een meerderheid te krijgen.

Steeds feller werden de verwijten aan het adres van Rao wegens zijn aanhoudende besluiteloosheid. Als er zich een probleem voordeed, wachtte hij net zolang tot dit op de een of andere manier vanzelf weer verdween. De Indiase premier toonde hierin overigens een bedrevenheid die doet denken aan de Duitse kanselier Helmut Kohl, eveneens een vermaard specialist in het geduldig 'uitzitten' van problemen.

Tot veler verbazing overleefde Rao de zomer zonder al te veel kleerscheuren. Mehta begon zichzelf tegen te spreken en van de aantijgingen van corruptie bleef weinig meer over. Bovendien begreep de Congrespartij dat het tijd werd de gelederen te sluiten, wilde ze niet volstrekt weggevaagd worden tijdens de belangrijke deelstaatverkiezingen in Noord-India in november.

Een oppepper voor Rao was voorts de vreedzame beëindiging, half november, van het beleg door het leger van de belangrijke Hazratbal-moskee in Srinagar, in Kashmir, waarin zich een groep militante moslims met een groep gijzelaars had verschanst. De premier had zich consequent verzet tegen een bestorming. Met zijn onuitputtelijke geduld trok hij opnieuw aan het langste eind.

Het belangrijkste keerpunt vormde echter de verkiezingen. De Congrespartij wist zich verrassend goed te handhaven en zag zelfs kans de voornaamste oppositie-partij, de Bharatiya Janata Party (BJP), in twee deelstaten voor te blijven. Zo mogelijk nog belangrijker dan het resultaat van de Congrespartij zelf was de nederlaag van de radicale hindoes van de BJP, die tot dan bezig hadden geleken aan een onstuitbare opmars naar de macht. Vaststond dat de Congrespartij voorlopig weer veruit de grootste van het land zou zijn. De BJP is intussen in een diepe identiteitscrisis terechtgekomen.

Voor het eerst in lange tijd plooide zich over het gezicht van de premier, die zich slechts zelden op een lachje laat betrappen, een brede grijns. Sindsdien is alles voor Rao van een leien dakje verlopen. In het federale parlement liep een aantal teleurgestelde parlementariërs van een kleine partij over naar de Congrespartij. Daardoor beschikt die weer over een absolute meerderheid en krijgt ze veel makkelijker haar zin dan voorheen.

Een prettige bijkomstigheid was ook dat er uit het buitenland steeds meer waardering kwam voor het beleid van ingrijpende economische hervormingen, dat Rao samen met zijn minister van financiën Manmohan Singh onmiddellijk na hun aantreden had gelanceerd. Zo viel Rao begin februari de eer te beurt de slottoespraak te mogen houden op het grote forum van internationale politici en zakenlui in Davos.

Eind vorige maand was de premier op bezoek in de Verenigde Staten, waarmee de betrekkingen de afgelopen maanden waren verslechterd. India was gepikeerd over Amerikaanse kritiek op de toestand van de mensenrechten in Kashmir en op het Indiase defensiebeleid. Handig vergewiste Rao zich er van tevoren bij de Amerikanen van dat deze hem geen lastige vragen zouden stellen over Kashmir of over India's nucleaire potentieel.

In plaats daarvan kreeg Rao een schouderklopje van president Clinton voor zijn economische beleid. “De indrukwekkende economische hervormingen van India”, aldus Clinton, “maken de weg vrij voor opwindende mogelijkheden voor onze wederzijdse handel en onze economische betrekkingen.” India wordt weer serieus genomen in de wereld, kon Rao het thuisfront voorhouden.

In India groeit langzamerhand de waardering voor het weinig spectaculaire maar wel tamelijk doelmatige bewind van Rao, onder wiens hoede het land de laatste anderhalf jaar een zekere stabiliteit heeft hervonden.