'Ik heb geen grand design, zo ben ik niet'; Profiel van ELLA VOGELAAR

Ella Vogelaar is deze maand Karin Adelmund opgevolgd als vice-voorzitter van de vakcentrale FNV. Zes jaar lang leidde ze de onderwijsvakbond ABOP, die onder haar bewind leerde dat belangenbehartiging en behoudzucht niet synoniem hoeven te zijn. Binnen de FNV geldt Vogelaar als serieuze kandidaat om te zijner tijd voorzitter Johan Stekelenburg op te volgen.

“Spannend. Een mooie kleur ook. Ik ben vreselijk benieuwd of het lukt. Het sociaal-economische beleid wordt de toetssteen, maar ik ben positiever dan Johan, die zei dat hij een paarse coalitie niet zo ziet zitten.”

Net als Stekelenburg is ze niet gerust op de plannen van een paarse coalitie met de sociale zekerheid. Maar op andere terreinen kan het “een verademing” zijn, zegt ze. In het onderwijs, bij voorbeeld. “Als ABOP-voorzitter heb ik wel eens gezegd, dat het voor de ontzuiling in het onderwijs niet slecht zou zijn om eens een regering zonder het CDA te hebben. De verhouding tussen confessioneel en niet-confessioneel onderwijs is al lang geen afspiegeling meer van de voorkeuren van de bevolking. Het aantal katholieke en protestants-christelijke scholen is onevenredig groot. Dat heeft te maken met de wijze waarop stichting en voortbestaan van scholen zijn geregeld. Met het CDA in het kabinet krijg je die regels niet veranderd. Met een paarse coalitie wellicht wel.”

Voor een aanval op de overlegeconomie is Vogelaar niet beducht. “Ze hebben ons toch nodig. Voor het uitvoeren van beleid zullen ze een draagvlak moeten organiseren, en dus ook moeten proberen met werkgevers en werknemers tot overeenstemming te komen. Dat kan best iets minder stroperig, maar dat het zonder overleg zou kunnen, lijkt me een illusie.”

Achter haar eigen politieke activiteiten zette Vogelaar tien jaar geleden een punt. Ze zat bij de Communistische Partij Nederland en was kort daarvoor (1982) gekozen in het hoofdbestuur van de ABOP, wat gold als een doorbraak in de bond die traditioneel werd geleid door sociaal-democraten. Maar het jaar daarop verliet ze de CPN. “Uit teleurstelling, vooral omdat de samenwerking met PPR en PSP niet vlotte”, zegt ze terugblikkend.

Open, gedreven, redelijk, veranderingsgezind, creatief. Het zijn kwaliteiten die Ella Vogelaar worden toegedicht door mensen die de afgelopen jaren veel met haar te maken hadden. “Inspirerend, buitengewoon charmant, energiek en tegelijkertijd vernieuwend”, voegde minister Ritzen (onderwijs) er onlangs aan toe in Het Schoolblad van de ABOP. “Wat ik altijd leuk vond was, als we wel eens ruzie hadden of een keer stevig tegenover elkaar stonden, dat ze dan met een beetje schalks gezicht kon zeggen: 'We zijn toch niet kwaad, hè?' Zo trok ze je als het ware even mentaal over de streep om weer verder te gaan”, aldus Ritzen. Gekscherend zei Vogelaar in haar afscheidsinterview: “Ik heb mijn vrouw-zijn ge-na-de-loos uitgebuit”.

Catharina Pieternella Vogelaar wordt op 23 december 1949 “bij de nonnen in het ziekenhuis” in het Brabantse Steenbergen geboren. Haar ouders drijven een boerderij in het nabijgelegen “hartstikke protestantse” Anna Jacobapolder op het Zeeuwse St. Philipsland. Zij is de oudste van vier kinderen in een gezin dat ze typeert als “goed gereformeerd, ARP-milieu”. Als eerste meisje van het dorp gaat ze naar de HBS in Zierikzee, per fiets, 17 kilometer verderop.

Vooral haar moeder stimuleert haar verder te studeren. De keus valt op de sociale academie De Horst in Driebergen. Het worden turbulente jaren, zowel voor De Horst als voor Ella Vogelaar. Beide raken in de ban van de snel radicaliserende studentenbeweging die zich 'bondgenoot van de arbeidersklasse' waant.

In de hoogtijdagen van de democratisering van De Horst - met als slogans 'one man one vote' en 'alle macht aan de basis' - is Vogelaar actief in de meest radicale politieke groepering, die de academie ziet als studie- en actiecentrum, gericht op (onder meer) 'ontmanteling van autoritaire structuren'. Haar docent Piet Reckman, ideoloog van de 'sociale aktie' en zelf vanuit Odijk een prominente luis in de pels van de PvdA vóór, tijdens en na het kabinet-Den Uyl, herinnert zich: “Ella ontwikkelde zich in socialistische richting. Ze participeerde sterk in de lesgroep en was bepaald niet op haar mondje gevallen. Ze kon scherp en vrijmoedig uit de hoek komen.”

De politisering van De Horst laat de Hervormde Synode (verantwoordelijk voor het bestuur van de academie) niet onberoerd en escaleert tot een affaire als de inspectie rapporteert dat een groep docenten een alternatief onderwijsprogramma uitvoert, gebaseerd op marxistisch-leninistische beginselen. Onderwijsminister Van Veen vraagt zich af hoe christelijk De Horst eigenlijk nog is en overweegt de subsidie in te trekken omdat de academie de wet zou schenden. De Telegraaf kopt: 'Invloed marxisme bedreigt De Horst met ondergang'.

Na het examen gaat Vogelaar aan de slag in het vormingswerk voor werkende jongeren in Gouda, spoedig gevolgd door activiteiten in de bond (ABOP) en in de CPN. “Die keuze voor de CPN vloeide voor mij voort uit de radicaliteit van de studentenbeweging, de Vietnambeweging, de identificatie met arbeiders. Je was 22, wilde de wereld veranderen. De CPN was toen een club waar arbeiders zaten.”

In korte tijd belandt ze in de leiding van de 'sectie vormingswerk' van de bond. Het gaat er hard en ongenuanceerd aan toe. De CPN-gezinde sectie ziet in de vakbeweging een belangrijke factor tot maatschappelijke verandering, mits diezelfde vakbeweging zich maar strijdbaarder opstelt, te beginnen met de ABOP. Vooral het kabinet-Den Uyl ('Van Agt eruit, de CPN erin') en de FNV-top onder leiding van Wim Kok en Wim Spit, die de arbeiders maar afhouden van de klassenstrijd, moeten het ontgelden.

Binnen de bond levert het grote spanningen op, zegt Jan van den Bosch, die voorzitter is van 1976 tot 1988 en de opkomst van Vogelaar van nabij gadeslaat. “Het was een echte botsing tussen twee politieke stromingen, PvdA en CPN. In het bestuur bestond forse weerstand tegen CPN'ers op hoge functies uit vrees voor een machtsovername.”

Een geheim van haar bestuurlijke ambities maakt Vogelaar allerminst. Ze ziet het als een uitdaging genoemde weerstand te breken, wat haar in 1982 uiteindelijk lukt. “Ik wilde bewijzen dat ook communisten goede vakbondsbestuurders kunnen zijn”, schrijft ze later in een scriptie voor de studie pedagogiek die ze en passant aan de Amsterdamse universiteit afrondt. Zes jaar later volgt ze Van den Bosch op.

Vogelaar wordt al gauw een veel gevraagd spreker, niet alleen over onderwijszaken. Soms valt haar openhartigheid op, zoals eind 1988 bij de start van een campagne voor gelijke behandeling van verschillende leefvormen. Trouw tekent bij die gelegenheid uit haar mond op: “Ik ben ruim zeven jaar gescheiden en heb dus enige ervaring met het romantische liefdesideaal rond het huwelijk, wat op een bepaald moment in je leven aan diggelen kan vallen. Ik heb nog steeds geen kinderen, omdat ik niet weet hoe ik hun verzorging kan combineren met mijn baan als voorzitter van een vakorganisatie. Sinds enige jaren probeer ik een LAT-relatie te onderhouden met mijn vriend”.

Ze giert van het lachen als we haar nu voorhouden dat er enige wanhoop in doorklinkt. Dan: “Nou, het gaat uitstekend met die LAT-relatie, nog steeds. Ik vind het van belang dat dit soort dingen niet onder de mat blijven. Waar ik op doelde was, dat ik geen kans heb gezien zo'n plek te combineren met het moederschap. Er komt een fase in je leven dat je denkt: 'Doe ik het nu wel of niet?' Ik zie niet hoe ik dat kan combineren. Anderen lukt het wel. Ik heb het dus niet gedaan. Het zijn tropenjaren, denk ik.”

Bij haar aantreden staat de ABOP er niet zo best voor. Bestuursperikelen en aanhoudende bezuinigingen op onderwijs hebben van de bond een in zichzelf gekeerde organisatie gemaakt, die zich krampachtig verzet tegen de eerste plannen voor enige sanering in de wildgroei aan regels in het onderwijs. Het ledental keldert in de jaren tachtig tot 40.000 en de waardering voor het leraarschap bereikt een dieptepunt. 'Op een feestje durf je met goed fatsoen niet meer te zeggen dat je in het onderwijs werkt', worden gevleugelde woorden.

Om uit de malaise te komen schakelen Vogelaar c.s. externe deskundigen in. “Een breekijzer”, zegt ze nu. De commissie adviseert de bond in haar rapport 'De bedrijvige school' te streven naar een ingrijpende vernieuwing van schoolorganisatie en arbeidsvoorwaarden. Vogelaar reageert enthousiast, tot grote ergernis van haar achterban. De ABOP-top geeft zich echter niet gewonnen en weet geleidelijk aan de noodzakelijk geachte omslag op gang te brengen. Vijf jaar na dato zijn de door de commissie bepleite deregulering en flexibilisering niet langer vieze woorden voor de ABOP. De bond herwint zelfvertrouwen en maakt het forse ledenverlies meer dan goed (nu 46.000 leden). Niemand spreekt Vogelaar tegen als zij bij haar vertrek tevreden vaststelt dat er “toch een paar heilige huisjes zijn gesloopt”, al is zij de eerste om te erkennen dat het niet zonder betekenis is dat er 'na de winter van Deetman' op het departement een andere wind waait.

Ook op de toenadering tussen de 'linkse' ABOP en het 'rechtse', half zo grote Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) drukt Vogelaar onmiskenbaar haar stempel. Ten tijde van de middenschool staan beide bonden lijnrecht tegenover elkaar, maar als die eenmaal ten grave is gedragen weten beide bonden elkaar steeds gemakkelijker te vinden. Volgens Gerard Moll, tot voor kort voorzitter van het NGL, is de ABOP onder Vogelaar “ontideologiseerd”, waardoor nu vrijwel niets meer een fusie tussen beide organisaties in de weg staat. Vogelaar deelt deze laatste taxatie. Zij noemt schaalvergroting zelfs “zeer urgent” voor de ledenservice.

Tegen deze boeiende achtergrond dringt de vraag zich op wat Vogelaar bezielt over te stappen naar de FNV, die er, zo blijkt keer op keer, eigenlijk alleen op papier in slaagt de negentien aangesloten bonden te overkoepelen. “Nou, ik heb ook zeker niet onmiddellijk 'ja' gezegd toen Johan in november op de stoep stond.”

Na ampel beraad hapt ze echter toe. Zes jaar ABOP zijn mooi geweest, zo'n FNV-kans krijg je zelden en het is belangrijk dat er een vrouw op zo'n post terechtkomt - dat zijn haar overwegingen. Verder dan dat ze het “plezierig en ook belangrijk” vindt om in maatschappelijke organisaties een rol te spelen, reikt haar ambitie niet, zegt ze. “De drive die er achterzat toen ik ABOP-voorzitter wilde worden - dat ik met mijn CPN-achtergrond wilde bewijzen dat ik die functie aankon - die heb ik nu niet.” Wel maakt ze zich met Stekelenburg, die in de jaren zestig immers dezelfde sociale academie bezocht, vrolijk over een nieuwe krantekop: 'De Horst neemt de FNV over'.

Bij de vraag welk 'breekijzer' ze dit keer gaat inzetten om de vakbeweging uit het defensief te halen, schiet ze andermaal in een aanstekelijke lach. “Nee, zo zit ik dus echt niet in elkaar. Ik ben meer iemand die eerst eens een tijdje om zich heenkijkt. Dan ontstaan de ideeën wel. Ik ben niet iemand met een grand design. Wat dat betreft is er bij mij de afgelopen twintig jaar wel wat veranderd.”

Enkele jaren geleden noemde Vogelaar de vakbeweging “een mannenbolwerk bij uitstek”. Op de keper beschouwd is dat nog steeds zo. Destijds zei ze: “De eerste Johanna Stekelenburg moet waarschijnlijk nog geboren worden”. Maar bij de FNV houdt men er serieus rekening mee dat haar wieg 44 jaar geleden al in Anna Jacobapolder stond.