Filmkleren uit Londen

Er heerst grote bedrijvigheid op de Middeleeuwse afdeling van het Londense kostuumverhuurbedrijf Angels and Bermans. Hier wordt de laatste hand gelegd aan de uitrusting van een leger.

Honderden maliënkolders, helmen, schilden en laarzen zullen binnenkort hun weg vinden naar evenzovele figuranten in de film Brave Heart, een Middeleeuws epos met Mel Gibson in de hoofdrol. De ridderlijke uitrusting van Gibson hoeft niet uit de magazijnen van het bedrijf te worden geput; zijn kleding wordt op maat vervaardigd. Angels and Bermans-medewerker Mark Rhodes toont de ateliers waar kledingstukken worden gemaakt, versteld, gerepareerd of anderszins aangepast aan de specifieke eisen van acteurs. Rhodes: “Aangezien niet elke Amerikaanse producent zijn acteurs voor een middagje de oceaan over stuurt krijgen we vaak de precieze maten doorgefaxt.”

De honderddertig personeelsleden van Angels and Bermans zijn niettemin gewend aan beroemdheden over de vloer. Een medewerker herinnert zich hoe Christopher Lambert rechtstreeks van de set van de Tarzan-film Greystoke naar Angels and Bermans werd gereden om Victoriaanse kostuums te passen. “Hij had alleen z'n lendedoekje aan en er vielen allemaal nep-littekens van z'n lichaam af.” De terloopse manier waarop Rhodes en zijn collega's de namen van Hollywoodsterren noemen lijkt aanvankelijk pedanterie. Maar gaandeweg wordt duidelijk dat het bedrijf zó veel bekende films van kleding heeft voorzien, dat de lust om erover op te scheppen is verflauwd. Het lijstje met recente films vermeldt onder meer The age of innocence, Jurassic park, Batman, Schindler's list en The remains of the day. Ook theater en televisie maken veelvuldig gebruik van de diensten van 'The Costumiers to the Entertainment Industry', zoals het bedrijf zichzelf afficheert. De makers van The house of Elliot (een televisieserie over een modehuis) huurden niet alleen kleding bij Angels and Bermans, maar gingen ook te rade bij de bibliotheek. Rhodes: “We hebben veel oude boeken en prenten. Die gebruiken we vooral om de historische juistheid van kleding te verifiëren. Je kunt Russische troepen niet in Pruisische uniformen laten rondlopen.”

Het hoofdkantoor van Angels and Bermans, een voormalig schoolgebouw in Camden Street, biedt onderdak aan een half miljoen kostuums. Elders in Londen wordt nog eens een enorme hoeveelheid moderne kleding bewaard. “En als iets niet voorradig is, wordt het gemaakt.” Kleding die eenmaal door een bekende acteur is gedragen, komt op een speciale afdeling te hangen. “Die zullen we minder snel uitlenen”, zegt Rhodes, terwijl hij een willekeurige greep in het rek doet. Als de naam Geneviève Bujold op het label blijkt te staan trekt hij een vies gezicht: “We moeten toch wel iets beters hebben.” Bij het volgende jurkje lacht hij opgelucht: “Hier, Brigitte Bardot!”

Als Rhodes via de intercom wordt opgeroepen een telefoontje te beantwoorden, besluit ik in een ander rek zelf maar een steekproef te nemen. 'Gedragen door Isabelle Huppert in Madame Bovary', meldt het label van de eerste jurk die ik tevoorschijn trek. Even verderop stuit ik op het jurkje dat Julie Christie aan had in Doctor Zhivago. Rhodes - inmiddels teruggekeerd - vertelt dat de kostuumontwerper van deze film in 1965 een Oscar won. Het is één van de achttien Oscars voor 'best costume design' die in de afgelopen vijftig jaar werd toebedeeld aan ontwerpers die met Angels and Bermans samenwerkten.

“Bij het woord 'kostuum' denkt iedereen onmiddellijk aan weelderige avondjurken of kleurige uniformen, maar doodgewone truien of broeken zijn net zo belangrijk als dit”, zegt Rhodes, wijzend op een rek met de titel 'Middle Ages'. Hij laat ruwe grijze truien zien, die van enige afstand nauwelijks van maliënkolders te onderscheiden zijn. “We hebben ook een paar echte, maar dat ijzerwerk is zó zwaar (...) daar houdt een acteur het nog geen half uur in uit.” Terwijl we de rekken met koninklijke gewaden (veel hermelijnen mantels) passeren legt Rhodes uit dat Angels and Bermans een barometer is voor trends in de filmindustrie: “We zijn momenteel met vijf westerns bezig. En de Middeleeuwen doen het de laatste tijd ook goed. Tegelijkertijd met die Mel Gibson-film moeten we een ander Middeleeuws spektakel van kleding voorzien; Dragonheart.”

In de kelder van het gebouw wordt de alomtegenwoordige motteballenlucht verdrongen door de geur van blanco, waarmee legergoed werd ingewreven. De rekken liggen volgestapeld met een onafzienbare hoeveelheid legerkleding. “In tijden van oorlog zouden we dienst kunnen doen als hulpdepot”, grapt Rhodes. Duidelijk is te zien dat veel gebruikte kleding in verre van onberispelijke staat naar Camden Street terugkeert. “Maar al is het vuil, gescheurd of half verbrand, we gooien nooit iets weg. Het kan altijd nog van pas komen. Hoeveel scènes zijn er niet waarin acteurs in beschadigde kleding rondlopen? En kledingstukken die al te zeer zijn beschadigd, kunnen we nog altijd gebruiken om andere kleding mee op te lappen.”

Voor reparatie en onderhoud kan bovendien worden teruggevallen op kasten vol met knopen, manchetten, veters, ritsen, epauletten en gespen. “We beschikken bijvoorbeeld nog over een flinke voorraad balijnen voor oude jurken. Dergelijke materialen zijn verder bijna nergens meer te krijgen.” Rhodes blijft kasten en laden opentrekken: brillen, juwelen, decoraties en insignes komen tevoorschijn. Zijn Bugs-Bunny-das blijft prompt aan een puntig nazi-insigne haken. De rest van de rondleiding zal Rhodes de minieme beschadiging van zijn das zorgelijk blijven inspecteren.

Ook directeur Tim Angel heeft zich als enige frivoliteit 'a loud tie' gepermitteerd. “We zijn in zekere zin nog altijd a family business”, verklaart hij trots. De oorsprong van zijn bedrijf lag bij betovergrootvader Morris Angel, die in 1840 een tweedehands kledingszaak in de theaterwijk Covent Garden begon. Tim Angel wijt de sterke concurrentiepositie van zijn bedrijf aan de gestage groei van de collectie kostuums vanaf de negentiende eeuw. “Wij hebben in de loop der jaren zo veel bij elkaar verzameld (...) daar valt nauwelijks tegenop te concurreren.” Hij legt uit waarom grote Amerikaanse produkties voor hun kostuums naar Londen overkomen. “Neem de western; dat mag dan wel een Amerikaans filmgenre zijn, maar de mode uit die tijd was helemaal op Europese voorbeelden gebaseerd. En waar haalt een Amerikaans bedrijf een grote hoeveelheid authentieke Victoriaanse jurken vandaan?” Angel heeft zichzelf aangeleerd om in de bioscoop niet al te zeer op de kleding te letten. “Mijn stelregel luidt dat je in een goede film de kostuums niet ziet.”