Eurolobby gaat vaak te laat van start

Prof.dr. A. Geelhoed, secretaris-generaal van het ministerie van economische zaken stelde vorige week in het weekblad Binnenlands Bestuur dat de Nederlandse overheid niet kan lobbyen in Brussel. Een dergelijk geluid wordt ook gehoord bij de tot dusverre niet zo succesvol verlopen kandidaatstelling van premier Lubbers voor het voorzitterschap van de Europese Commissie. Zoals Derk Jan Eppink het omschreef in NRC Handelsblad van 11 juni: 'Lubbers blijft lobby zelf leiden'. Maar zijn we echt zo slecht in het lobbyen? Nee, over het algemeen zijn we zelfs zeer goed in staat om in Brussel onze zaken te behartigen. Op beleidsterreinen als landbouw, visserij, energie, vervoer, maar ook bij de voortzetting van taxfree-verkopen op Schiphol en op de internationale veerponten hebben wij dankzij het Nederlandse lobbywerk successen behaald. Al vele jaren is er sprake van een goede samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven op een groot aantal gebieden.

Nu is lobbyen, het informeel beïnvloeden van politici en ambtenaren, niet iets dat 'even' gedaan kan worden. Een effectieve lobby, zeker waar het Europese zaken betreft, begint op tijd en vindt plaats nadat de verschillende spelers die een rol spelen bij de besluitvorming in kaart zijn gebracht. Voorts moet bepaald worden door wie deze spelers benaderd worden en welke argumenten worden ingezet.

Een belangrijk probleem hierbij is dat de Haagse ministeries vaak verdeeld zijn en niet tot een gezamenlijke aanpak kunnen komen. Het moment dat de Europese Commissie via een zogeheten 'Groenboek' een onderwerp op de Europese agenda plaatst, is in feite het sein dat een lobbycampagne van start kan gaan. Op dat moment moeten de nationale regeringen besluiten hoe ze het desbetreffende onderwerp bij de Europese ministerrraad moeten aankaarten. De problemen beginnen echter wanneer het onderwerp op het terrein van verschillende departementen ligt. Dit deed zich bijvoorbeeld voor op het terrein van de media. Economische zaken en WVC konden het niet eens worden over een gezamenlijke aanpak, wachtten te lang bij het bepalen van hun strategie, maar waren ook niet bereid het initiatief aan een ander te gunnen. Precies dat is de reden waarom wij niet kunnen lobbyen, zo stelt ook Geelhoed. We ronden niet op tijd onze interne werkzaamheden af en we vervallen te veel in onderling gekissebis.

Reeds twee jaar geleden hebben de secretarissen-generaal van de ministeries in een rapport gesteld dat de besluitvorming in Den Haag over Europese onderwerpen sneller en effectiever moet verlopen. Mijns inziens moeten Buitenlandse zaken en Algemene zaken voordat er een formeel voorstel van de Europese ministerraad op tafel ligt, het ontwerp bespreken met de betrokken ministeries en de Tweede Kamer. Dan is informeel beïnvloeden en overleg nog mogelijk. Maar blijkbaar is het rapport van de secretarissen-generaal en nu recentelijk de uitspraak van Geelhoed niet voldoende om tot een goede lobby te komen. Wat dan wel?

Vlak na zijn herbenoeming als voorzitter stelde Deetman dat de Tweede Kamer meer aandacht moet gaan schenken aan de Europese integratie. Dat is een goede zaak. Temeer, omdat de Nederlandse kiezer tijdens de onlangs gehouden Europese verkiezingen het Europees Parlement door het lage opkomstpercentage niet het vertrouwen heeft gegeven dat een parlement nodig heeft om goed te functioneren. Ook de Tweede Kamer dient na te gaan welke Europese rol zij kan spelen. De Kamer moet om invloed uit te kunnen oefenen op het Europese besluitvormingsproces op de hoogte zijn van wat er in Brussel speelt en op welk moment de voorstellen in de ontwerpfase zijn. Dat houdt niet in dat de Tweede Kamer in Brussel moet gaan lobbyen of eigen informatiebronnen moet gaan aanboren. Met de departementen kunnen afspraken gemaakt worden dat de Tweede Kamer op de hoogte wordt gesteld van hetgeen zich afspeelt in Brussel. Ook kunnen de bewindslieden eventueel verzocht worden de Kamer te informeren over de strategie die wordt gevolgd om een onderwerp dat in Brussel aan de orde komt aan te passen. Als uit dergelijke gesprekken of rapportage van de bewindslieden blijkt dat de volksvertegenwoordiging niets voor zo'n voorsel voelt, zijn de betrokken ministers daarvan reeds in een vroeg stadium op de hoogte. In alle latere stadia, als de voorstellen formeel zijn ingediend en in de raad van ministers van de Europese Unie worden besproken, zijn de beïnvloedingsmogelijkheden en de controlemogelijkheden van het parlement veelal minimaal. Als de Tweede Kamer zich zo in het voortraject met Europese onderwerpen gaat bezighouden, worden de departementen ook gedwongen tot lobbystrategievorming in een vroeg stadium.

Over een aantal jaren - als de huidige premier zijn memoires schrijft - zal bekend worden welke voorbereidingen er getroffen zijn voor zijn kandidatuur voor het voorzitterschap van de Europese Commissie. Wij weten nu alleen dat op de avond van de Tweede Kamer verkiezingen van 3 mei, Lubbers zich formeel kandidaat heeft gesteld. Ik kan mij niet voorstellen dat er vóór die datum in kleine kring niet gesproken is over de lobbystrategie die gevolgd moest worden om Lubbers naar Brussel te krijgen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de wensen van de diverse lidstaten ten aanzien van het profiel van de nieuwe voorzitter. Op die verlangens moet geanticipeerd worden. Dat houdt in dat Lubbers met de premiers van de verschillende landen individueel gesproken moet hebben over hun politieke wensen. Zo kan ik mij voorstellen dat bondskanselier Kohl wilde weten wat Lubbers van plan is om met de toetreding van Polen, Hongarije en Tsjechië te gaan doen. De Duitsers willen een spoedige aansluiting van deze landen bij de Europese Unie. De Grieken zijn benieuwd naar de beleidsinitiatieven die van de nieuwe voorzitter van de Europese commissie te verwachten zijn ten aanzien van Macedonië. De Engelsen willen op de hoogte zijn van de ideeën van Lubbers over de sociale paragraaf van het Verdrag van Maastricht. De Engelsen hebben immers het sociale gedeelte van dit Verdrag toentertijd niet ondertekend. Met president Mitterrand van Frankrijk is overleg gevoerd over de kandidatuur. Was dat een eerste lobbygesprek? Dat zou een teken zijn van een gebrekkige strategie. Wij gaan er van uit dat de heren al meermalen discussies over het voorzitterschap van de Europese Commissie hebben gevoerd. Anders is de lobby te laat van start gegaan.

Dat Lubbers al zo lang rondloopt in de politiek en in Maastricht met zijn Verdrag een huzarenstukje heeft uitgehaald is niet voldoende om automatisch voorzitter van de Europese Commissie te worden. Wij kunnen best lobbyen in Europa, maar dan moet er grondig worden nagedacht over de wijze waarop het moet worden aangepakt en door wie.