De universiteit van Tinbergen

Een nobel mens. Dat was de eerste karakterisering die spontaan bij mij opkwam toen een redacteur vorige week belde met het bericht dat Nobelprijswinnaar prof. Tinbergen was overleden. De gedachten gingen ook terug naar mijn eerste wetenschappelijke contacten met Tinbergen, nu al weer bijna twintig jaar geleden. Ik had twee artikelen gepubliceerd met kritiek op de grote rekenmodellen van het Centraal Planbureau. Tinbergen was de oprichter en eerste directeur van het CPB en had samen met prof. De Wolff kort na de oorlog de eerste generatie rekenmodellen ontwikkeld. In een handgeschreven brief bleek Tinbergen de bezwaren op veel punten te delen en zich - constructief als altijd - af te vragen of het niet mogelijk was om het niet bij kritiek te laten, maar nieuwe wetenschappelijke inzichten praktisch in de rekenmodellen te verwerken. Nergens in zijn brief liet Tinbergen er zich tegenover de jonge doctorandus op voorstaan dat hij al een Nobelprijs had ontvangen voor zijn pionierswerk aan de allereerste econometrische modellen van nationale economieën in 1939. Hij tekende: “met vriendelijke groeten, Jan Tinbergen.” Bij onze eerste ontmoetingen vond ik het best moeilijk om 'Jan' te zeggen, maar Tinbergen insisteerde iedere keer opnieuw. Zijn bescheidenheid en eenvoud waren niet koket gespeeld maar volkomen natuurlijk.

Toen Tinbergen in 1973 met emeritaat ging, daalde het gemiddelde talent in onze economische faculteit. Dat was onvermijdelijk. Maar moest de Erasmus Universiteit zoveel glans verliezen? Want laten we eerlijk zijn; er is heel wat mis met de voormalige Nederlandse Economische Hogeschool en dit ligt niet aan de studenten die even aardig zijn als twintig jaar geleden, maar aan de organisatie. De grootste handicap is een slechte wet op het hoger onderwijs die een misplaatste democratie oplegt aan de verschillende vakgroepen. Een luie meerderheid van cynische, oude doctorandussen kan elke ijverige hoogleraar het leven verzuren. Ik schreef op deze plaats al over mijn collega Van S. bij de Sociale Faculteit die het in zijn vakgroep aflegde tegen drie doctorandussen die niet bereid bleken een eenvoudige onderwijstaak van de vakgroep uit te voeren. De verdeling van onderwijstaken hangt immers volgens de wet af van een vergadering waarin de mislukte doctorandus een even zware stem heeft als de internationaal bekende hoogleraar. Professoren missen de bevoegdheid om leiding te geven, ijver te belonen en met luie mensen af te rekenen. Als de Nederlandse belastingbetalers meer kwaliteit wensen voor het economisch onderwijs aan hun kinderen, dan moeten ze de volgende minister van onderwijs dringend vragen om die idiote wet te veranderen, want collectieve verantwoordelijkheid voor onderwijstaken is een onwerkbaar systeem. Meer succesvolle universiteiten in het buitenland snijden de onderwijstaak altijd op maat toe per persoon.

Dat vakgroepen in plaats van individuen verantwoordelijk zijn voor onderwijs en onderzoek verklaart ook veel van de onbevredigende discussie over de toegestane bijverdiensten en nevenfuncties van universitair personeel. Aan top-universiteiten in Engeland of Amerika rekent men individuele hoogleraren af op hun prestaties bij onderwijs en onderzoek, en is betrokkene dan energiek genoeg om ook advieswerk te doen voor het bedrijfsleven, dan draagt dat wellicht bij tot de relevantie van zijn colleges. Hier in Nederland heeft de vakgroep een collectieve onderwijstaak en kunnen individuen zich dus onzichtbaar voor de universitaire leiding verstoppen achter meer consciëntieuze en ijverige vakgroepsgenoten. Vaak zie ik om me heen dat de toegewijde mensen steeds meer werk moeten oppakken van gemakzuchtige collega's, met als resultaat dat het vaak de meest waardevolle jonge medewerkers zijn die de universiteit de rug toekeren omdat ze geen zin hebben als permanent alibi te functioneren voor een hoogleraar die alleen zijn inkomen maximeert in plaats van ook zijn wetenschappelijke reputatie.

De wettelijk opgelegde absolute democratie in de vakgroepen wordt nog destructiever nu de economische faculteit in Rotterdam (net als de zusterfaculteiten) moet bezuinigen. In elk normaal bedrijf betekent een reorganisatie gedurende enige tijd een duidelijke concentratie van bevoegdheden bij een klein aantal managers die prioriteiten stellen en spelregels afspreken. Aan onze universiteit is er wel een College van Bestuur, maar de drie leden van het College lijken vooral beducht voor nog meer negatieve publiciteit, na alle rampzalige persberichten van twee jaar geleden over de Rotterdam School of Management. Hun overbodige beleidsmedewerkers onderhoudoen geen serieus contact met de wetenschappers die het feitelijke werk doen en schrijven taaie nota's voor eigen consumptie in het bestuursgebouw. Dan is er het bestuur van de faculteit, maar dat bestaat uit amateurs die niet sterk genoeg zijn om te kiezen voor kwaliteit en hun oren laten hangen naar de wensen van de meerderheid. Maar wat te doen als die meerderheid in sommige delen van een faculteit bestaat uit gemakzuchtige lieden die continu gaan vergaderen om hun vier maanden vakantie per jaar veilig te stellen en intussen zelfs de simpelste kwaliteitscontrole saboteren door niet mee te werken aan regelmatige evaluaties van het onderwijs door de studenten?

Alleen een moedige keuze voor kwaliteit kan onze faculteit nog redden, maar ik spreek niemand die gelooft dat de huidige bestuurders van universiteit en faculteit daartoe in staat zijn. Volgens de laatste plannen wil het bestuur van de faculteit de wetenschappers - lui en ijverig door elkaar - in grote groepen reorganiseren en die dan democratisch laten adviseren over voortijdige pensionering en ontslag van overtollig personeel. Zo dreigt één van de meer bekende hoogleraren, auteur van 70 wetenschappelijke artikelen, te worden ondergedompeld in een groep met twee ongepromoveerde hoogleraren en een peloton 'nul-auteurs', dat wil zeggen wetenschappers die acht mille of meer per maand verdienen maar de laatste vijf jaar geen enkel artikel hebben geschreven. Een andere, nog prominenter geleerde, onlangs ontvanger van een eredoctoraat, wordt gedumpt in een groep met vijf medewerkers voor wie er niet genoeg onderwijswerk is omdat ze zich in het verkeerde superspecialisme hebben bekwaamd. Straks zijn de beste mensen full time democratisch aan het vergaderen; of heeft de universiteit liever dat ze gedesillusioneerd ontslag nemen?

Een nieuwe Tinbergen wordt niet ieder jaar geboren, maar ook zonder genieën kan een economische faculteit toch goed onderwijs verzorgen en bijdragen tot de ontwikkeling van de wetenschap. Maar dat lukt niet met zwakke bestuurders die toestaan dat het onderwijsprogramma meer het resultaat is van een onwrikbare wapenstilstand tussen elkaar wantrouwende groepen dan van een rationele analyse van de behoeften van de studenten en hun toekomstige werkgevers. Intussen berust de macht in de faculteit hoofdzakelijk bij de oudere personeelsleden die zich specialiseren in vergaderen, smoezen op de gang en geheimzinnig koffiedrinken, niet zelden omdat zij de ijver of het talent missen voor serieus wetenschappelijk werk. Jammer van 30 miljoen gulden belastinggeld, jammer ook voor de kwaliteit van het onderwijs aan uw en mijn kinderen.