De stok of de wortels

DE RELATIES MET Noord-Korea bewegen zich nu een anderhalf jaar lang tussen hoop en vrees. De afgelopen weken dreigde zelfs een nieuw dieptepunt te worden bereikt toen de Verenigde Staten bij China, Rusland, Japan en Zuid-Korea serieus de bereidheid begonnen te peilen om gezamenlijk tot sancties tegen de atoomstaat-in-wording over te gaan. Maar in het uur van vertwijfeling reisde oud-president Jimmy Carter naar Pyongyang, sprak er met Kim Il Sung senior en deelde na thuiskomst mee: “Persoonlijk geloof ik dat de crisis over is.”

De vraag waarop nog steeds geen sluitend antwoord is gegeven, luidt: is het Noordkoreaanse regime als laatste erfgenaam van het stalinisme bezig aan een soort nucleaire Götterdämmerung, anders gezegd, wil het in zijn isolement tot het uiterste gaan, inbegrepen een nieuwe overval op het zuiden, of tracht het via het middel van de nucleaire chantage zoveel mogelijk van de eigen huid te redden? In het laatste geval zouden diplomatieke erkenning, hulp bij het oplossen van de gigantische problemen waarmee het land kampt als gevolg van tientallen jaren lang volgehouden wanbestuur en eventueel zelfs een normalisering van de betrekkingen met het zuiden een crisis kunnen voorkomen.

De regering-Clinton heeft al herhaalde malen toenaderingspogingen ondernomen, maar is steeds opnieuw gestuit op de Noordkoreaanse weigering het Internationaal Atoomagentschap voldoende inzage te geven in de werking van zijn nucleaire installaties. De verdenking dat het regime zich tot een atoommacht ontwikkelt en zich onttrekt aan zijn verplichtingen onder het verdrag tegen de spreiding van kernwapens is daardoor begrijpelijkerwijs slechts toegenomen. Maar Carter zou nu kans hebben gezien om het ijs te breken. Als de toezeggingen die de oud-president zijn gedaan, zouden worden nagekomen, zou aan Amerikaanse kant de bereidheid toenemen om de tot nu toe gestelde voorwaarden vooraf soepel toe te passen. Althans, die suggestie werd gisteren gewekt nadat Carter in Washington rapport had uitgebracht.

DE AMERIKAANSE regering bevindt zich tussen 'the devil and the deep blue sea'. Als zij geen kans ziet Noord-Korea van de nucleaire status af te houden, zal dat niet alleen onoverzienbare gevolgen hebben voor de regio Oost-Azië, maar zullen ook andere landen de drempel willen overschrijden. Het non-proliferatieverdrag en het achterliggende beleid om de verbreiding van massa-vernietigingswapens in de wereld zoveel mogelijk tegen te gaan liggen dan praktisch aan scherven. Anderzijds blijkt Amerika wanneer het erom gaat daden aan zijn gerechtvaardigde zorg te verbinden, nagenoeg alleen te staan.

Noord-Korea's voormalige bondgenoten Rusland en China weigeren de Amerikaanse kant in het conflict te kiezen, direct betrokkenen als Japan en Zuid-Korea behouden zich een oordeel voor zolang dat maar enigszins mogelijk is. Amerika's partners kijken van een afstand toe hoe Clinton en de zijnen zich door dit nucleaire mijnenveld een pad banen. Vandaar dat in Washington al is gesuggereerd desnoods tot eenzijdige militaire maatregelen over te gaan.

TEGEN DIE achtergrond lijkt Carters boodschap in het Witte Huis, zij het na enige aarzeling, toch enige verlichting te hebben gebracht. In ieder geval is er weer wat tijd gewonnen op het moment dat de voorraad opties uitgeput dreigde te raken. Waar het dreigen met de stok tot dusver weinig heeft opgeleverd, zou het voorhouden van een bos sappige wortels nog wel eens indruk kunnen maken. Volgens Carter is dat laatste het geval, anders dan tot voor kort in Washington werd aangenomen.