Arme landen kunnen miljarden besparen op hun infrastructuur

ROTTERDAM, 20 JUNI. Door beter beheer en onderhoud van infrastructurele voorzieningen in ontwikkelingslanden kunnen volgens het gisteren gepubliceerde World Development Report 1994 van de Wereldbank jaarlijks vele tientallen miljarden dollars worden bespaard. Alleen al door de verbetering van de technische efficiency bij de energie- en watervoorziening, wegen en spoorwegen kan de jaarlijkse besparing oplopen tot 55 miljard dollar. Dat komt overeen met een kwart van de jaarlijkse infrastructurele investeringen in ontwikkelingslanden. Het is ook twee keer het bedrag van de ontwikkelingshulp die elk jaar aan projecten in de infrastructuur wordt besteed.

Volgens de Wereldbank zijn donorlanden er te veel op uit contracten voor kapitaalgoederen en consultancy-opdrachten binnen te halen, waardoor beheer en onderhoud te weinig aandacht krijgen. De aandacht moet verschuiven “van kwantiteit naar kwaliteit.”

Nadat het World Development Report vorig jaar geheel aan de gezondheidszorg was gewijd, staat dit jaar de infrastructuur centraal. Een goede infrastructuur is volgens de Wereldbank niet alleen van belang voor diversificatie van de produktie, uitbreiding van de handel en verbetering van het milieu. “Efficiëntere, meer toegankelijke en minder kostbare infrastrurele voorzieningen zijn ook essentieel voor een effectieve vermindering van de armoede,” aldus Wereldbank-president Lewis Preston in het voorwoord.

De jaarlijkse investeringen in infrastructuur in ontwikkelingslanden van 200 miljard dollar (4 procent van het nationaal inkomen; een vijfde van de totale investeringen) hebben de beschikbaarheid van voorzieningen aanzienlijk vergroot - in de armste landen nam het percentage van de bevolking dat toegang heeft tot de watervoorziening de afgelopen 15 jaar toe van 40 tot 62 procent. Maar de armste groepen profiteren het minst. Volgens de Wereldbank heeft nog altijd een miljard mensen geen toegang tot schoon water en twee miljard mensen hebben geen electriciteit. De subsidies voor de infrastructurele voorzieningen komen vooral de rijkere groepen ten goede. Om iedereen te bereiken moet volgens het rapport niet “simpelweg meer worden geïnvesteerd.”

De Wereldbank besteedt in haar rapport dan ook vooral aandacht aan het kwaliteitsprobleem. In ontwikkelingslanden blijkt gemiddeld 40 procent van de opwekkingscapaciteit voor energie niet voor produktie beschikbaar. Dat is twee keer zoveel als de best presterende energievoorzieningen in zowel de armste, de meer ontwikkelde als de rijke landen. De watervoorziening kan gemiddeld voor slechts 70 procent van haar capaciteit functioneren, terwijl dat 85 procent zou kunnen zijn. Havendiensten in ontwikkelingslanden werken bij de afhandeling van schepen gemiddeld op slechts 40 procent van de snelheid van de meest efficiënte havens. In de afgelopen tien jaar hadden in Afrika tijdige investeringen in wegenonderhoud van 12 miljard dollar zo'n 45 miljard dollar aan herstelwerkzaamhden kunnen besparen.

Een van de oorzaken van het achterblijven van de kwaliteit van infrastructurele voorzieningen is dat het grootste deel ervan in handen is van monopolistische staatsbedrijven. En degenen die zijn belast met de dienstverlening zijn zelden financieel en bestuurlijk autonoom.

De Wereldbank ziet mogelijkheden tot verbetering door een meer op commerciëlere leest geschoeide exploitatie, waarvoor het management direct verantwoordelijk is. In het rapport wordt ook invoering van het concurrentieprincipe bepleit, waar dat mogelijk is. Een aantal ontwikkelingslanden staat particuliere ondernemingen nu al toe electriciteit op te wekken en aan het openbare net te leveren. Ook op indirecte wijze kan het marktmechanisme worden ingeschakeld, wanneer overheden de exploitatie van een openbare voorziening uitbesteden aan de laagste bieder.

Volgens het Wereldbankrapport moeten gebruikers een veel directere invloed op de infrastructurele voorzieningen hebben. Zo blijkt dat decentralisatie van wegenonderhoud tot opmerkelijke verbeteringen leidt (zie grafiek). In het Wereldbankrapport wordt er in dit verband ook voor gepleit dat de prijzen van de geleverde diensten veel meer de kosten weerspiegelen. Door de te lage prijzen - gemiddeld worden de kosten voor slechts de helft gedekt - ontstaat een excessieve consumentenvraag, waardoor te lichtzinnig tot investeringen in nieuwe voorzieningen wordt besloten. Volgens berekeningen van de Wereldbank kunnen de overheden in ontwikkelingslanden 123 miljard dollar per jaar besparen in de uitgaven voor water, energie en railvervoer, wanneer de prijzen de kosten weerspiegelen. Om de allerarmsten te beschermen zouden subsidies veel meer direct op deze groep moeten worden gericht.

Het hoofd van het onderzoeksteam van de Wereldbank, Gregory Ingram, zei in een toelichting op het rapport optimistisch te zijn door veranderingen die nu reeds in veel ontwikkelingslanden plaatsvinden. De praktijk wijst volgens hem uit dat infrastructurele voorzieningen in armere landen niet slechter hoeven te zijn dan in rijkere landen. ''

Ingram erkende dat het rapport ook kritiek inhoudt op de Wereldbank zelf. “De Wereldbank was terughoudend in het financieren van onderhoud en beheer van infrastructuur. Nu verstrekken we hiervoor ook kredieten en helpen we de noodzakelijke instituties opzetten.”