Vakbondsfront breekt bij advies uitvoering verzekeringen; Ser: meer markt in sociaal stelsel

DEN HAAG, 18 JUNI. De behandeling gisteren van het niet erg spannend klinkende “advies inzake regionalisering uitvoeringsorganisaties werknemersverzekeringen” leek aanvankelijk een van die vele saaie vergaderingen van de Sociaal-Economische Raad (SER) te worden. Maar om kwart voor één barstte alsnog de bom. Werkgeversvoorzitter A. Rinnooy Kan (VNO) veegde op agressieve toon de vloer aan met het duo Muller & Muller van de vakbeweging.

Henk Muller is de sociale zekerheidsdeskundige in het FNV-bestuur. Wolter Muller is diens pendant bij de bond voor middelbaar en hoger personeel (MHP). De inbreng van het tweetal werd door Rinnooy Kan bestempeld als “volstrekt negatief en niet contructief”. Volgens de VNO-voorzitter heerst bij FNV en MHP “de dictatuur van de status quo”. Rinnooy Kan ergerde zich met name aan Mullers kritiek op de kroonleden G. Zalm (directeur van het Centraal Planbureau) en D. Wolfson (hoogleraar aan de Erasmusuniversiteit), de drijvende krachten achter een voorstel om meer marktwerking te brengen in de uitvoeringsorganisatie.

Henk Muller noemde 17 juni “een ongelukkige dag voor de verzorgingsstaat”. “Niet omdat de FNV niet de draai naar de toekomst zou kunnen of willen maken,” zo voegde hij eraan toe, “maar omdat een meerderheid van de SER onder aanvoering van enkele kroonleden een koers inzet die op den duur tot een wezenlijke aantasting van hoogte en duur van werknemersverzekeringen zal leiden”. Het was deze passage die Rinnooy Kan in het verkeerde keelgat schoot. Volgens de VNO-voorzitter is het juist “de behoudzucht” van FNV en MHP die leidt tot steeds hogere sociale rekeningen, waardoor uiteindelijk niet ontkomen kan worden aan verlaging van uitkeringen.

Anders dan FNV en MHP willen Zalm en Wolfson het marktmechanisme een grotere rol laten spelen in het stelsel van sociale verzekeringen. Zo moeten bedrijven meer vrijheid krijgen om zelf te bepalen waar en hoe ze hun werknemers verzekeren tegen de risico's van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. In plaats van de grote anonieme Ziektewet-, WW- en WAO-fondsen zou er meer ruimte moeten komen voor eigen-risico, participatie in onderlinge waarborg- of garantiefondsen en het afdekken van sociale risico's bij particuliere verzekeraars. De bedrijfsverenigingen raken in dit voorstel hun monopoliepositie voor de uitvoering van sociale verzekeringen kwijt. Ze zullen moeten concurreren tegen elkaar, particuliere verzekeraars en onderlinge waarborgmaatschappijen, en dat zal automatisch leiden tot meer kostenbewustzijn, striktere claimbeoordeling en differentiatie in premies, zo redeneren Zalm en Wolfson.

Bedrijven die dankzij goede arbeidsomstandigheden weinig uitval van personeel hebben, kunnen een geringere premie bedingen dan bedrijven die er een potje van maken. De 'trigger' in dit systeem heet opting out: de mogelijkheid om niet mee te doen aan collectieve regelingen. Uiteindelijk stemden de werkgevers, het CNV en elf kroonleden voor dit standpunt.

De vakcentrales FNV, MHP en AVC (Algemene Vakcentrale), alsmede de drie kroonleden Epema-Brugman, Leune en Asscher-Vonk wezen opting out af omdat zij menen dat het leidt tot “vernippering van de uitvoering”. Deze SER-minderheid waarschuwt bovendien voor risicoselectie. Gunstige risico's (bedrijven met weinig arbeidsongeschikte of zieke werknemers) zullen zich daar verzekeren waar ze de geringste kosten (premies) in rekening gebracht krijgen. Op die manier betalen ze niet meer mee aan de schade die bedrijven met hoge risico's veroorzaken. FNV, MHP, AVC en de drie kroonleden vrezen dat de oude collectieve regelingen op deze wijze worden uitgekleed en het element van solidariteit uit de sociale verzekeringen verdwijnt. De slechte risico's blijven achter in de oude collectieve omslagsystemen en betalen steeds hogere premies. Volgens de bedenkers van de opting out is dat nu juist de bedoeling. Het geeft immers bedrijven met ongunstige risico's een financiële prikkel om iets aan de arbeidsomstandigheden te doen, of om het hoge risico door te berekenen in de prijs van de produkten.

Opting out is een vernieuwing, omdat het interne dynamiek in het verstarde stelsel van sociale zekerheid brengt. Meer marktwerking is een trend die, zoals de vice-voorzitter van het CNV A.J. de Geus in zijn speech benadrukte, niet beperkt blijven tot de sociale zekerheid. Je ziet hem ook in de volkshuisvesting, de gezondheidszorg en bij de pensioenen. Twee weken geleden vormde het CNV voor het oog van de buitenwereld nog een front met de overige vakcentrales. Het CNV hoopte de andere vakcentrales nog voor het 'opting-out-model' te kunnen winnen, maar dat is niet gelukt. Het CNV ging toen maar op de solotoer. Door aansluiting bij het FNV-blok zou het CNV de eigen visie verloochenen. Het vakbondsfront was daarmee gebroken en dreigt nog verder af te brokkelen.

De nieuwe markttrends zijn kennelijk sterker dan “de behoudzucht” (Rinnooy Kan) van het duo Muller & Muller. Meer keuzevrijheid voor betrokkenen, ruimte voor eigen risico en privatisering zijn liberale principes die ook bij de formatie van een Paars kabinet worden aangehangen. De verkiezingsuitslag van 3 mei gaf aan dat het liberale gedachtengoed aan invloed wint. De stemming in de SER gisteren gaf het ook aan. Er waaien nieuwe winden door de oude verzorgingsstaat.