Therapeutisch verhoren

Het was heel verstandig van RTL V na iedere uitzending met Jolanda van B. expliciet op het scherm de geschreven mededeling te doen dat het hier ging om een 'subjectieve beleving', daarmee de handen in onschuld wassend, mochten sommige kijkers de indruk hebben gekregen dat hier sprake was van een door haar geuite beschuldiging van bewezen feiten.

Subjectief beleefd of feit, het verbaast me toch dat iemand ongestraft in het openbaar zulke onbewezen beschuldigingen mag uiten. Ik denk dat er landen zijn - zoals de Verenigde Staten - met juridische stelsels waarbinnen men met zoiets niet zo makkelijk weg komt.

Ik denk ook dat er - zowel in de Verenigde Staten als in Nederland - rondom incest een klimaat aan het ontstaan is waarin impliciet de boodschap rondzingt dat het om zoiets ergs gaat dat het eigenlijk ongepast is de desbetreffende vrouwen lastig te vallen met vragen over de bewijsvoering. Volgens mij is dit in wezen ook de kern van de kritiek van psychologiehoogleraar Wagenaar. Het is dit klimaat waartegen hij in de rechtszaal zowel als in de media met kracht protesteert, omdat het kan leiden tot een ondermijning van het rechtsgevoel. Bewijs moet overtuigend zijn door met elkaar kloppende feiten, niet door invoelingsvermogen en mededogen. Misschien is hij niet altijd tactvol te werk gegaan, maar zijn protest is volkomen terecht. Er begint een geur van onaanraakbaarheid te hangen rondom vrouwen die hun familieleden beschuldigen van seksuele mishandeling. “Het is al erg genoeg wat ze hebben meegemaakt en dan worden ze ook nog eens niet op hun woord geloofd. Daarmee worden ze dubbel slachtoffer.” Zo luidt een weerkerend thema.

Mij lijkt zich hier te wreken dat het therapeutisch denken uit de hulpverlening op zachte voetjes het juridische denken binnen wandelt. In een therapie kan men spreken van een onvoorwaardelijk geloof in wat de cliënt vertelt en 'geloof' heeft dan de betekenis van 'acceptatie'. Dat komt doordat bij therapie waarheidsvinding geen doel is in zichzelf, maar hooguit een middel om - dezelfde woorden die RTL V gebruikte - de subjectieve beleving van de cliënt om te buigen, zodat er meer innerlijke harmonie ontstaat en men meer vrede kan hebben met het bestaan. Doel van een therapie is niet hem of haar te doen inzien dat de waarheid anders ligt dan hij of zij ervaart. Het kan zijn dat een cliënt gaandeweg tot die ontdekking komt, maar een therapie is niet mislukt als dat niet gebeurt, al was het alleen maar omdat sommige ervaringen waar het om draait vaak te ver en onachterhaalbaar in het verleden liggen of zich naar hun aard aan objectiviteit onttrekken. Zelfs bij de moderne, cognitieve therapieën gaat het meer om realisme dan om waarheid (“Het kan wel zijn dat uw ouders vroeger veel te hoge eisen aan u stelden, maar nu u volwassen bent, hebben ze niets meer over u te zeggen”). Het wezenlijke doel is dat degene die in therapie is een andere interpretatie kan leren geven aan de subjectief beleefde werkelijkheid, 'Waar' of 'onwaar' zijn geen categorieën waarin een goede therapeut denkt - al kan ik er niet voor instaan dat niet ergens op een afgelegen boerderij een aanpak wordt gepraktizeerd die daar wel op is gericht, de titel 'psychotherapeut' is per slot van rekening in Nederland niet wettelijk beschermd.

Het is duidelijk dat methoden als een geleide vraagtechniek of het al dan niet onder hypnose stellen van suggestieve vragen zich heel goed kunnen verhouden tot een therapeutische doelstelling. Op die manier kan de therapeut zo veel mogelijk belevingsmateriaal van de cliënt op bewust niveau brengen, waarmee men 'aan het werk' kan. Maar omdat daarbij door de accepterende houding van de therapeut alles is toegestaan - dromen, fantasieën, door afweermechanismen veroorzaakte verdraaiingen - leidt dit alles niet tot een onbetwistbare waarheid, bij uitstek wèl het ideaal binnen het strafrecht. Kortom, deze technieken zijn totaal ongeschikt voor politie-onderzoek. Hoe menselijk politiefunctionarissen zich ook willen gedragen ten opzichte van personen die verklaren slachtoffer te zijn van een misdrijf, zij moeten verhoren en daarbij past geen quasi-therapeutische aanpak, zelfs niet bij incest. En als een vrouw een dergelijke benadering niet aankan, terwijl er geen enkel ander bewijs is, is dat jammer voor de rechtsgang, maar dan hoort het recht verder geen loop te nemen via oneigenlijke methoden. En hetzelfde - géén suggestieve technieken - geldt voor het ondervragen van vermeende daders.

Bij de behandeling van de aanklacht van Jolanda van B. zijn niet alleen zulke methoden gebruikt bij de gesprekken met de klaagster zowel als met de aangeklaagden, er zijn ook psychotherapeuten opgetreden als getuige-deskundige. Tot wat voor misverstanden tussen denkkaders van zo'n totaal verschillende aard dat kan leiden, blijkt bijvoorbeeld uit de getuigenis van mevrouw Draijer, die de op zichzelf juiste toelichting gaf dat de tijdsbeleving bij incestslachtoffers vaak is verstoord en dat dan hetgeen zij vertellen niet meer logisch met elkaar samenhangt. Een therapeut zal op zo'n verwarring alleen ingaan als het relevant is voor de behandeling, maar het anders terzijde laten. Het wordt echter bizar als dat in de rechtszaak zou worden gebruikt als bewijs van de geloofwaardigheid van het vermeende slachtoffer. Hooguit kan men zeggen dat als op àndere wijze overtuigend bewijs is verkregen, tijdsverwarde verhalen van het slachtoffer daar geen afbreuk aan hoeven te doen. Zolang dat bewijs er echter niet is, kan het therapeutisch denken niets toevoegen aan een behoorlijke rechtsgang.

Men moet hiervoor des te meer op zijn hoede zijn daar er - met name in gevallen van seksuele mishandeling - een nieuwe therapeutische aanpak snel in opkomst is die wordt samengevat in het motto 'Het lichaam liegt niet'. Traumatische ervaringen zouden in de lichaamsweefsels worden bewaard, zonder op bewust niveau enig spoor na te laten. Alleen de therapeut ziet ze zitten en kan ze met suggestieve technieken voor de cliënt in herinnering brengen. Het verwijt dat men daarmee iemand ervaringen en gevoelens 'aanpraat' deert deze therapeuten niet. Zij zijn het er zelfs van harte mee eens, het is immers de grondgedachte van hun aanpak: zij bespeuren in het lichaam hetgeen uit de geest van cliënt is verdwenen.

Het is overigens opmerkelijk dat men het in diezelfde kringen vaak accepteert dat het lichaam in ander opzicht wèl liegt, namelijk door geen littekensporen na te laten van het meest gruwelijke lichamelijke geweld waarover vermeende slachtoffers vertellen.