Overstroming

A.M.A.J. Driessen: Watersnood tussen Maas en Waal. Overstromingsrampen in het rivierengebied tussen 1780 en 1810

333 blz., geïll., Walburg Pers 1994, ƒ 69,50

Dat in de winter van 1794/95 de Fransen ons land onder de voet liepen, was in belangrijke mate te wijten aan de bevriezing van de grote rivieren. Oorlogvoering was een seizoenbedrijf dat gebonden was aan de nazomer en de herfst. Terwijl vooral de Hollanders zich lange tijd veilig hadden gewaand achter de barrière van de grote rivieren en de waterlinie, kwam de aanval der Franse legers op de in wanorde verkerende noordelijke provinciën in december 1794 daarom toch nog onverwachts, zowel voor de Orangisten als voor de Patriotten. Generaal Pichegru trok met zijn troepen over de bevroren rivieren en stootte direct door naar het hart van de Republiek, die bloedend ten onder ging. Het werd het beging van het dieptepunt in een toch al rampzalige periode der vaderlandse geschiedenis, maar er waren ook enige lichtpuntjes.

De rol van de grote rivieren in onze historie is eigenlijk nog nooit goed beschreven. Natuurlijk is er aandacht geschonken aan de betekenis van de Rijn als handelsvaarweg naar het Duitse achterland en iedereen heeft wel eens iets opgevangen over overstromingen, maar de huidige generaties denken daarbij toch in de eerste plaats aan het Deltagebied. Rivieren zijn voor ons vervuilde eeuwig vloeiende wateren die soms tot spectaculaire breedte en hoogte aanwassen, maar die verder alleen maar traag door oneindig laagland stromen. Pas met de recente overstromingen in Limburg kan dit valse beeld zijn bijgesteld, maar velen zijn ervan overtuigd dat het dom was te investeren of te bouwen in een potentiële gevarenzone.

Toch waren minder dan 150 jaar geleden niet alleen de zee, maar vooral ook de grote rivieren monsterlijke erfvijanden van de Nederlandse gewesten. In het bijzonder wanneer de stromen waren dichtgevroren en de dooi intrad bestond een groot risico van dijkschade en op vele plaatsen zijn de dijken ook werkelijk bezweken onder het geweld.

Hoge dammen van kruiend ijs, zoals ze nu nog voorkomen langs de oevers van het IJsselmeer, waren toen normale verschijningen op de grote rivieren. Dergelijke ijsdammen brachten enorme schade toe aan de oeverwerken en waren bovendien oorzaak van opstuwing van het water. Waar een dijk bezweek onder de ijsdruk volgde gewoonlijk een ontlading van de waterkracht in het vrijgekomen kolkgat, dat spoedig werd uitgespoeld en vele meters diep kon worden. Zo'n kolk - meestal wiel of waal genoemd - vormde een probleem bij het latere oeverherstel omdat de bodem zo diep was weggeslagen, dat fundering van een nieuw dijklichaam op dezelfde plaats vrijwel onmogelijk was. Het gevolg was dat de dijk om die plek werd heengeleid en een kromming ontstond. Vele bochten in de dijklichamen langs onze grote rivieren zijn dan ook verklaarbaar uit de talloze doorbraken in de loop der eeuwen. Nog duidelijker sporen lieten de dijkbreuken echter na in de vorm van de wielen zelf. Op vele plaatsen gaan de krommingen nog steeds vergezeld van kleine meertjes, nu eens links dan weer rechts van de dijk.

Watersnood tussen Maas en Waal; Overstromingsrampen in het rivierengebied tussen 1780 en 1810 belooft net iets meer dan het waarmaakt. Enerzijds is het ontegenzeglijk juist dat Maas en Waal tot 1904 samenvloeiden bij Woudrichem en dat de inhoud daarom volledig beantwoordt aan de hoofdtitel, maar aan de andere kant suggereert de ondertitel een breder perspectief. Centraal staat niet het rivierengebied, maar het zuidoostelijk deel daarvan: het Land van Maas en Waal en de Bommelerwaard. Het wachten is nu dus op vergelijkbare werken over het gebied tussen Waal/Merwede en Neder-Rijn/Lek.

De studie leest zeker niet weg als een roman, maar voor een concreet inzicht in de ontwikkelingen rond een der bestaansvoorwaarden van ons land is het een verplicht nummer. Anneke Driessen produceerde een dissertatie van formaat, die prettig wordt verlucht met terzake doende afbeeldingen en kaarten.