Ooggetuige

Arnhemmers die de geallieerde luchtlandingen van september 1944 hebben meegemaakt ruiken nog weleens de brandlucht uit die dagen wanneer ze op het Velperplein komen, zoals ook Rotterdammers die hun binnenstad in de vlammen hebben zien ondergaan die lucht weer in hun neus krijgen zodra ze op de Coolsingel zijn. De lucht van brandende binnenstad verdwijnt nooit meer helemaal uit de herinnering van wie er bij waren.

De bommen die de avond vóór de luchtlandigen op de stad werden geworpen veroorzaakten een brandlucht die ook de huizen buiten het getroffen gebied doordrong. “Je ruikt het nu ook als je een raam openzet”, noteerde Bert Kerkhoffs enkele uren nadat de RAF bij wijze van warming-up een aantal doelen in de Arnhemse binnenstad had gebombardeerd.

Hoewel de Slag om Arnhem, op de geïsoleerde gevechten bij de Rijnbrug na, zich hoofdzakelijk in Oosterbeek, Renkum, Heelsum en Wolfheze afspeelde, konden de Arnhemmers zich een ondubbelzinnig beeld van de strijd vormen aan de hand van de gewondentransporten die ze door hun stad zagen trekken. Via de Steenstraat werden honderden Britse gewonden in de richting van Apeldoorn afgevoerd.

De 19-jarige Bert Kerkhoffs, die boven de stoffenhandel van zijn ouders in de Steenstraat woonde, had al de nieuwsgarende eigenschappen van de journalist die hij later zou worden. Hij liet een vriend van zijn ouders, die een paar straten verderop woonde, door de telefoon vertellen wat hij zag en schreef dat op: “Toon Wolf ziet op het Velperplein herhaaldelijk plukjes Britten, vaak vier of vijf, soms meer, met de handen omhoog en begeleid door Duitsers in de richting van de Apeldoornsestraat gaan. Sommigen zijn zwaar gewond en worden ondersteund door hun kameraden. Anderen liggen hevig bloedend te schudden en bonken op platte aanhangers achter legerauto's. Die gaan, zegt hij, jullie kant op.” De neerslag van die telefoongesprekken heeft hij in een mooi ingekleurde Feind hört mit-sfeertekening samengevat in het eerste hoofdstuk over het dagelijks leven van de Arnhemse bevolking tijdens de negen dagen durende slag in zijn zojuist verschenen boek Arnhem 1944 (Slag van de Tegenslag, geïll., uitgeverij Bredewold, Wezep; ƒ 29,75).

Iedere Arnhemmer die over een telefoon beschikte, belde de hele stad af om zich te oriënteren over het verloop van de strijd. Langzaam maar zeker begon het tot de Arnhemmers door te dringen dat de Britse troepen de belofte van de bevrijding niet zouden kunnen inlossen. Nog maar een paar dagen tevoren waren ze met oranjevlaggen massaal de straat opgegaan, zich niet meer bekommerend om speruur en bezettingsgeboden, en niet langer bevreesd voor represailles, in de onvervreemdbare zekerheid dat de overgave van de Duitsers nog slechts een kwestie van dagen was. “Als wij naar boven gaan”, noteerde Bert Kerkhoffs, “zien we vanuit de erker vaak auto's met doden en gewonden onder de poort richting Velp rijden.”

Nu ze zagen dat er aan de stroom van gewonde Engelsen geen einde kwam, daagde langzaam het besef dat de Duitsers zich niet onder de voet lieten lopen, en dat de walk-over waarvan de geallieerden en de Nederlanders gedroomd hadden, weleens een illusie zou kunnen zijn. De telefoongesprekken die Bert Kerkhoffs of zijn vader met hun 'correspondenten' in de omgeving voeren, nemen met het uur een pessimistischer toon aan. Waarnemer Klaassen meldt uit Oosterbeek: “Wij durven de straat ook niet meer op. Het is levensgevaarlijk. Ze vechten van man tegen man in de bossen. Vooral rond de Tafelberg, bij Hartenstein en rond de Westerbouwing. Ik denk dat ze daar en bij de Rijnbrug steunpunten bouwen voor het Tweede Leger. Horen jullie die keiharde knallen ook?”

Maar het Tweede Leger, dat uit Nijmegen zou komen om de parachutisten bij de brug af te lossen, zou Arnhem in 1944 de bevrijding niet meer bezorgen. Het Britse bevrijdingsleger werd door de strategisch superieure generaal Student van de geallieerde hoofdmacht afgesneden, vertreuzelde nog een dag of wat door traditionele laksheid (oorlog of geen oorlog, de tea-breaks gingen door) en bleef ergens in de Betuwe steken - vrijwel binnen handbereik van de Arnhemmers. Als Bert Kerkhoffs op het dak van zijn ouderlijk huis een telescoop had geplaatst, zou hij het 30ste leger van luitenant-generaal Horrocks aan de zuidkant van de rivier hebben kunnen zien. Sommigen meenden dat ze het met het blote oog al zagen. Maar als ze het al zagen, dan kwam het in elk geval niet dichterbij. “Zo dichtbij en toch zo ver weg?” vroeg Kerkhoffs zich vertwijfeld af.

Sindsdien is de vraag waarom die afstand van enkele kilometers nooit was overbrugd hem blijven kwellen. In feite heeft hij zijn boek aan die vraag opgehangen. Kerkhoffs beantwoordt die vraag met een wat rauwe beschuldiging aan het adres van Montgomery, die volgens hem willens en wetens de Britse Eerste Luchtlandingsdivisie de vernieling in joeg. Zijn motivering van dat oordeel is wat summier en ongepolijst, maar de feiten waarop het steunt staan wel vast. De over-optimistische Montgomery had op dat moment niet aan de verovering van de Rijnbrug moeten beginnen, maar hij stoorde zich niet aan de waarschuwingen van zijn eigen adviseurs en van de Nederlandse illegaliteit, die hem in vereniging nauwkeurig hadden voorgerekend dat de Duitsers Arnhem hadden omgebouwd tot een gepantserde vesting. En Prins Bernhard, de pas benoemde bevelhebber van de Nederlandse Strijdkrachten, hield hem bovendien nog voor dat de geallieerde tanks in het drassige Nederlandse rivierengebied geheid zouden vastlopen.

De geschiedenis heeft de onfeilbaarheid van de Britse veldmaarschalk intussen wel zoveel gerelativeerd dat die aanklacht niet het interessantste deel van het boek is. Dat zit veeleer in de ooggetuigenverhalen die hier zijn opgetekend uit de mond van Arnhemmers die de ondergang van hun stad met de schrijver hebben meegemaakt. In enkele houtskoolstrepen legt Kerkhoffs de gruwelijkste episode uit de geschiedenis van zijn stad vast. In de derde week van september schrijft hij: “In onze omgeving wagen zich weer mensen op straat. Winkels gaan zelfs open. Het is onwezenlijk midden in het frontgebied te wonen.” Een week later noteert hij in verbijstering dat de stad leegstroomt en heel Arnhem moet evacueren. De Duitsers wreken zich op de bevolking van de stad om zich over te geven aan de grootste systematische plundering die de moderne geschiedenis heeft gekend. Als Bert Kerkhoffs zeven maanden later met zijn 90.000 ontheemde mede-Arnhemmers terugkeert is zijn geboortestad verdwenen. “Onze stad! Er stond niets meer. Geen brug, geen huis, geen meubels, niets. Nog geen fotootje meer.”