On a cold tin roof

Dertien of veertien jaar geleden kwamen ze logeren. Het waren broer en zus, in Nederland geboren, maar al snel naar Curaçao verhuisd waar ze in de knoek leefden. Tschou was een lapjespoes, Kong een zwart-wit katertje, niet echt groot. Zijn zusje, al snel bijgenaamd Sjoukje Dijkstra, was mollig, Kongie mager van het jagen op hagedissen, spinnen en leguanen.

Toch bestond er nooit een beter incest-huwelijk dan tussen die twee.

Er was wel eens ruzie, meestal vlak voor het eten om zes uur (waarbij ik er nooit achter kwam wie er begon), maar er werd broederlijk samen gegeten en samen geslapen. Immer.

Ze arriveerden apart op Schiphol, dat wel, in van die grijze KLM-dozen voor katten, die ze vanaf die tijd met scepsis bezagen, vooral ook omdat er later tochtjes mee gemaakt werden naar de dierenarts, nooit vrolijk voor een kat.

Omdat ze samen waren wenden ze snel aan het huis. Mij namen ze op de koop toe. Ik gaf after all het eten. Sjoukje wilde wel aangehaald worden, snorde zelfs, Kong absoluut niet. Hun karakters verschilden enorm. Kong ving muizen en at ze met huid en haar op, waarbij hij keurig een stukje staart liet liggen en het miltje. Een arts heeft me eens verteld dat het voor een chirurg nog een hele toer is om het miltje in een muis te vinden en zo mooi te verwijderen. Kong kon het op een haar. Hij was ook de nieuwsgierigste. Hij liep op straat, hij klom over de schutting en hij was wel 's een nachtje weg.

Dat zou Sjoukje nooit doen. Die wilde wel op een soort richel onder het raam in de zon zitten, maar echt ver weg, nee, daar had ze geen zin in. Een huiselijk moeke met aandacht voor de baas en voor de gasten. Ze verhaarde in alle kleuren.

Verbazingwekkend was haar vermogen deuren te openen. Het enige wat je zag was dat de handle omlaag ging staan. Dan hing ze er aan de andere kant van de deur aan. Omdat de deur enigszins klemde moest ze er met een aanloopje tegenaan. Andersom kon ze hem ook open krijgen. Dan moest er met de achterpoten tegen het stilstaande gedeelte geduwd worden om hem naar achteren te bewegen. Naar muizen taalde ze echter niet.

Als er een andere kat onder het raam verscheen gingen ze er samen op af. Sjoukje voorop, Kong er schijterig achteraan, maar gillen voor tien.

Bij het eten hetzelfde.

Omdat ik het gekroel van het tweetal voor mijn voeten bij het eten klaarmaken - want katten hebben dan een brekebenerig gedrag - niet wilde hebben, had ik ze geleerd naar boven te gaan, naar de huiskamer, en binnen te wachten tot ik de deur naar de gang opendeed. Dat deden ze gehoorzaam, terwijl ze toch tegen de richting in moesten lopen, in aanvang. Sjoukje vooraan tot de deur open ging en dan spurten, de trap af. Sjoukje was, ondanks haar zwaarlijvigheid, altijd eerst. Maar zonder onenigheid eten.

Je kon ze alles leren.

Mensen die zeggen dat katten niets leren, weten van niks. Het duurt net zo lang als bij honden, je moet alleen waanzinnig consequent zijn. Eén keertje door de knieën en ze nemen weer een loopje met je. Daar zijn ze de hele dag op uit, als ze niks anders te doen hebben.

Als ik naar televisie zat te kijken moesten ze elk op een leuning zitten en niet op schoot vanwege de haren en de zwaarte van twee katten op schoot en de soort broek. Je kon dan ook niet gemakkelijk gaan verzitten, want je blijft onwillekeurig stilzitten. Af en toe probeerde er eentje het, door een poot uit te steken. Dan zei ik op conversatie-toon: “Zou'k niet doen”, en dan werd de poot teruggetrokken.

Nog altijd kon Kong niet snorren. Zelfs het aanhalen vond hij bedenkelijk. Wel wist hij zich goed in te likken bij Sjoukje die als eerste ging slapen en waarbij hij dan tegen haar aan wilde liggen, of, als ze zat, tegen haar aanzitten, als een kind dat treintje speelt, met zijn borst tegen haar staart. Zo werd er geslapen, altijd bij elkaar.

Allengs werd Sjoukje dikker en haar huid slechter. Ze dronk teveel en kreeg last van epileptische aanvallen waarbij ze incontinent werd. Niet alleen waren de aanvallen afschuwelijk om te zien, Kong wist er ook geen weg mee, want katten zijn gesteld op decorum.

Het enige middel was kalmeringspilletjes, waardoor Sjouk zeer suf werd en haar conditie liep ook achteruit. In overleg met de dierenarts heb ik haar laten afmaken, een verschrikkelijke gebeurtenis. Onderweg kwam ik nog een kennis tegen. “Hé, wat doe jij hier?” Ik kon geen woord uitbrengen. Bij de dierenarts, na het spuitje, werd ik in een klein kamertje gelaten met een kat die snorrend op mijn hand lag, met een steeds zwaardere kop.

Kong is niet meer de oude. Hij klaagt, hij snort ineens, hij loopt verloren rond en wil voortdurend op schoot. Hij kan een uur ronddarren terwijl hij je schoot in de gaten houdt. Daar wil hij. Daar alleen.

Moet er een poes bij? Het asiel is gevaarlijk, zegt de dierenarts, vanwege ziektes. Aan een jong katje kan Kong misschien niet meer wennen.

Kong kijkt me nu weer verwijtend aan. Wat denkt een kat? Heeft een kat een geheugen voor die dingen? Weet hij nog van de knoek, van de hagedissen, van de spinnen, de leguaan? Van Sjoukje?

Geen van allen kan ik hem teruggeven.

De deurknop voelt nog ruw van de klauwen die er in hingen.