Nederland - België voor Nederland - België voor hoogste post in Europese Unie

Ruud Lubbers en Jean-Luc Dehaene hebben bijna dezelfde achtergrond. Ze komen uit dezelfde politieke beweging, zijn beiden premier en vakkundige compromissenmakers. Maar hun ambities botsen: ze willen dezelfde topfunctie bij de Europese Commissie, het 'dagelijks bestuur' van de Europese Unie. Beiden hebben zich inmiddels kandidaat gesteld en beiden reizen door Europa om steun te verwerven bij hun collega-regeringsleiders en de Franse president, die volgende week op Korfoe beslissen. De vroegere minister-president van België, Wilfried Martens, bemiddelt om een heftige ruzie in de familie van de christen-democraten te voorkomen. Zal één van de twee wijken, of zal op Korfoe een derde - de Ier Peter Sutherland of de Brit Leon Brittan - er met het been vandoor gaan? Een sterke-zwakte-analyse van de twee mededingers.

Lubbers: wendbaar naar consensus

DEN HAAG - “Ik probeer mensen bij elkaar te brengen, draagvlak te verbreden en naar een synergie te werken”. Dat zei premier Lubbers vorig jaar aan de vooravond van zijn vertrek uit de Nederlandse politiek. Consensus is steeds het Leitmotiv geweest van deze fabrikantenzoon, die geestelijk werd gekneed aan het strenge jongensinternaat in Nijmegen, het Canusiuscollege.

De Jezuïten werkten mee aan zijn vorming en zijn visie op de samenleving. Lubbers heeft volgens enkelen van zijn partijgenoten een “bijbels rechtsvaardigheidpathos” dat hij meer met socialisten deelt dan met liberalen. “Zijn manier van werken gaat ervan uit dat de maatschappelijke draagkracht niet mag worden overspannen en de heelheid van de samenleving staat voorop”, zegt een medewerker. Lubbers neemt vaak zelf geen standpunt in; hij zit tussen de meningen van anderen.

In 1973 betrad Lubbers voor het eerst de Nederlandse politiek. Hij kreeg het ministerie van economische zaken. Hij groeide uit tot een kleurrijk minister en werd na de val van het kabinet-Den Uyl fractieleider van het CDA. Hij moest een fractie bij elkaar houden waarvan een deel - de loyalisten - niets zag in het kabinet Van Agt/Wiegel en fel gekant was tegen de plaatsing van kruisraketten. In 1982 werd Lubbers zelf minister-president in een kabinet van CDA en VVD. Hij voerde een zogenoemd 'no-nonsense beleid'; minder bevlogenheid en een meer zakelijke benadering van politiek.

Bij zijn Leitmotiv hoorde een vaste werkwijze: hij bereikte compromissen via een combinatie van een grote creativiteit en een enorme verbale wendbaarheid. De vaste begrippen in toespraken van Lubbers zijn “samen, samen met elkaar, samen onderweg”. Hij blijft altijd speuren naar het bindende compromis. Voor de een is Lubbers de meester van de consensus, voor de ander een eindeloze prater. Vice-premier Kok zei ooit na een crisis in het kabinet Lubbers-III: “Ik kijk vrijdagavond naar het gesprek met de minister-president om te zien of we bij dezelfde ministerraad hebben gezeten”. In de Nederlandse politiek was Lubbers, in tegenstelling tot zijn voorganger Van Agt, een workaholic-premier die bij de Algemene Beschouwingen soms uren achtereen het woord voerde, en een grote stapel dossiers “doorpakte”.

In de Europese politiek van Lubbers is veel van zijn Nederlandse aanpak goed herkenbaar. Eind 1982 trad hij aan voor zijn eerste Europese Topconferentie met staatsleiders zoals kanselier Kohl, president Mitterrand en de eeuwige dwarsligger, de Britse premier Thatcher. Lubbers speelde in de jaren tachtig een rol als bruggenbouwer in de Europese Gemeenschap.

Thatcher zette vrijwel elke Europese Top onder druk met haar opmerking I want my money back. Ze blokkeerde zonodig de hele besluitvorming, tot grote ergernis van Kohl en Mitterrand. Lubbers kwam op het Europese toneel als de verzoener tussen de insulaire Thatcher en het Europese denken op het continent. Thatcher, die een grote hekel had aan het woord compromis, kon het goed vinden met de compromissenmaker uit Den Haag. Tijdens de Europese Top in Madrid in 1989 speelde Lubbers een grote rol toen Thatcher haar collega's wilde dwingen het woord federalisme (het f-word) af te zweren. Lubbers kwam met een begrip uit het katholieke vocabulair: subsidiariteit.

De rol van Lubbers als bemiddelaar bleef ook toen Thatcher het veld ruimde voor premier Major, die in zijn partij kampte met een anti-Europese factie. Major wilde in het verdrag van Maastricht geen sociale paragraaf. Maar de andere grote lidstaten, Frankrijk en Duitsland voorop, wilden dat wel. De Britse premier zat klem tussen zijn partij en zijn de Europese collega's. “Hij kon geen kant meer op”, aldus een diplomaat die met Lubbers eind 1991 Londen bezocht om Major over de streep te halen. Lubbers loste het verzet op door de sociale paragraaf in een protocol bij het verdrag op te nemen. Dit tot grote teleurstelling van vooral president Mitterrand. Er was geen alternatief. “De keus was: de sociale paragraaf buiten het verdrag van Maastricht of geen verdrag”, aldus een onderhandelaar.

Ook binnen de as Bonn-Parijs speelde Lubbers een rol. Als op de Europese top het landbouw- of het handelsbeleid aan de orde waren stonden Bonn en Parijs tegenover elkaar. Duitsland betaalde en Frankrijk profiteerde van het landbouwbeleid. Duitsland wilde vrijhandel, Frankrijk protectionisme. Lubbers nam soms een standpunt in dat dicht tegen het Duitse lag en leidde het verzet. Kohl hoefde de belangrijke band met Parijs niet zelf te belasten. Tijdens de Duitse vereniging zat Lubbers aan bij Frankrijk en Groot-Brittannië met het idee wederom te bemiddelen. Kohl nam hem dit niet in dank af. Op dit punt aanvaarde hij het verzet van Frankrijk als historisch gegeven, maar ergerde zich wel aan het Nederlandse standpunt.

In de positie tussen de Bundeskanzler, Monsieur le President en The British Prime Minister speelde Lubbers een grotere rol dan het gewicht van Nederland doet vermoeden. Bemiddelaar Lubbers werd gewaardeerd als 'dossierkenner', maar één die zijn collega's van de grote landen soms een vermoeiende veelheid aan varianten voor ogen kon toveren. Ooit zou hij op een Top te horen hebben gekregen van kanselier Kohl dat hij niet de voorzitter van de Koblenzer Jugendverein hoefde te spelen.

De grootste nederlaag voor de Nederlandse diplomatie tijdens het premierschap van Lubbers was de afwijzing van het ontwerp-verdrag voor een Europese Unie op 30 september 1991. Nederland had het ontwerp van Luxemburg van tafel geveegd en besloot zelf met een tekst te komen waarin de Europese Unie op federale leest geschoeid zou worden. Nederland manoeuvreerde volgens waarnemers onhandig en schatte de machtsverhoudingen verkeerd in. Volgens de secretaris-generaal van de Raad van Ministers, de Deen Ersboll, was Nederland toen “een kleine lidstaat die zich gedraagt als een grote”. Het repliek van Lubbers op deze stelling was overigens tekenend. “In een bepaald opzicht, en dit klinkt wellicht wat cryptisch, is Nederland een groot land. Men kan het niet vergelijken met Denemarken”. (*)

In het jarenlange optreden in Europese Raden wist Lubbers vrienden te maken, zoals de Spaanse premier González, maar ook ergernis te wekken bij de landen die meenden dat Nederland - in tegenstelling tot België - een 'grote broek' aantrekt. Tijdens het Luxemburgse voorzitterschap probeerde premier Santer zijn ontwerp-verdrag op de Europese top te verdedigen. Lubbers verwierp echter de tekst van Luxemburg, Nederland zou met een beter ontwerp komen. “Lubbers zat naast Santer die voorzitter was”, zegt Jerry Collins, voormalig minister van buitenlandse zaken van Ierland. “Het leek alsof Lubbers probeerde het voorzitterschap van Santer over te nemen. Hij bleef maar praten”.

Lubbers had in het verleden altijd een federale visie op Europa, helemaal in overeenstemming met de christen-democratische traditie. Inmiddels is hij een stuk minder federaal. “Bouwen aan Europa is niet altijd meer van hetzelfde. Je moet niet alles in Brussel doen”, zei hij onlangs in Leiden. Lubbers pleit voor een “zuinig Europa” dat vooral ook zuinig moet zijn met de regelgeving. “Is Europa niet té bedillerig? Is er niet té veel bemoeizucht in Brussel?”

Lubbers ziet zich, met zijn ervaring, als meest geschikte kandidaat maar stuit op verzet van Bonn en Parijs. Hij heeft Kohl en Mitterrand onlangs laten weten dat hij de as “van groot belang” vindt. Maar juist om de as te laten werken moeten de kleine en de andere grote landen, zoals Spanje en Groot-Brittannië, het gevoel hebben dat ze er ook bijhoren. Voor Lubbers is de keuze helder: wil de Europese Unie een bruggenbouwer zoals hij of een 'loyale onderaannemer' van de as Bonn-Parijs aan het hoofd van de Europese Commissie?

(1) M. van Hulten: Het korte leven en de plotselinge dood van het Nederlandse ontwerp-verdrag voor een Europese Unie, Lelystad 1993.