Luigi Marsigli (1658-1730); Een veelzijdige avonturier

John Stoye: Marsigli's Europe, 1680-1730. The Life and Times of Luigi Ferdinando Marsigli, Soldier and Virtuoso; 356 blz., Yale University Press 1994, ƒ 97,75

Sommige mensen hebben alles mee: ze zijn walgelijk rijk, weerzinwekkend intelligent, stuitend nieuwsgierig, abject energiek, dodelijk doortastend, en begiftigd met uitstekend personeel bovendien. Graaf Luigi Ferdinando Marsigli was zo iemand, en hij genoot ervan. Hij leefde tussen 1658 en 1730 in opwindende dagen, en ook daar genoot hij van. Zowat alles wat er mee te maken was, maakte hij mee, alles wat er te weten viel, wilde hij weten en bijna alles wat er te bekijken was, bekeek hij.

De edelman uit Bologna gold in zijn eigen tijd als een virtuoso, en dat was niets te veel gezegd. Hij kwam bij koningen over de vloer, bouwde forten langs de Donau, was een groot kenner van paddestoelen, verzamelde Latijnse inscripties, leverde bloedige veldslagen, analyseerde liefdevol exotische vlinders, onderzocht de structuur van hagelkorrels, diende als geheim gezant van de paus, correspondeerde even moeiteloos met de natuurkundige Boerhaave als met keizer Lodewijk I, karteerde de loop van de Donau, stichtte behalve een museum ook een observatorium, en schreef tussen de bedrijven door duizenden pagina's over meeslepende onderwerpen als de opkomst en ondergang van de Ottomaanse militaire instellingen, de geografie van de Bosporus, de geschiedenis van koffie, en het wezen van de Balkan.

Luigi Marsigli was, kortom, iemand om van te houden, en dat deed hij zelf dan ook met volle overtuiging. Hij was bovenal iemand om een biografie over te schrijven. Natuurlijk deed hij dat zelf ook (zijn Memorie intorno zag pas in 1930 het daglicht), terwijl niet lang na zijn dood nog twee levensschetsen van bewonderaars verschenen. Onlangs is voor hem een wetenschappelijk monument opgericht in de vorm van Marsigli's Europe, een uitputtende studie door de emeritus hoogleraar geschiedenis uit Oxford, John Stoye.

Dit boek over het leven en werk van de Italiaanse alleskunner heeft een actueel aspect. Nadat op 26 januari 1699 het Habsburgse en het Ottomaanse Rijk de Vrede van Carlowitz sloten, werd Marsigli aangewezen om het exacte verloop van de nieuwe grenzen op de Balkan te bepalen. Daartoe bracht hij minutieus gebieden in kaart waar destijds weinig westerlingen zich waagden. Zijn doel was een soort geografische logica te brengen in de afbakening tussen de christelijke en moslim machtsgebieden, waaronder de grens tussen Kroatië en Bosnië. Eigenhandig markeerde hij met stapels stenen de scheidslijn, maar uiteindelijk, zo weten wij nu driehonderd jaar later, zou zijn creatie niet bestand zijn tegen de etnische versnippering van de regio.

Marsigli werd door de grote mogendheden aangezocht voor deze gewichtige taak omdat hij gold als een groot kenner van de Balkan, ruime militaire ervaring had, enig Turks kende, en eerder met nogal wat succes was opgetreden als onderhandelaar tijdens de vredesbesprekingen. Daarbij opereerde hij onder andere in dienst van de Nederlandse stadhouder en Engelse koning Willem III. Die had een belangrijke stem in het kapittel van Europese vorsten en was een vurig pleitbezorger van vrede op de Balkan - vooral om aan het westelijk front de mogelijkheid te krijgen oorlog tegen de Franse koning Lodewijk XIV te voeren.

De grensafbakening zou een van de hoogtepunten worden van Marsigli's carrière, niet in de laatste plaats dank zij zijn jonge, briljante en onvermoeibare assistent Johann Christian Muller die de kaarten tekende. Ragfijn diplomatiek spel, gedetailleerde landmetingen, verkenningen in rauw en onbekend terrein, de dreiging van oorlog, de bouw van fortificaties, gecombineerd met de studie van paddestoelen, oude dialecten en antieke inscripties, dat alles maakte het leven tot een feest. In de twee jaar dat Marsigli ermee bezig was, stuurde hij in totaal 1600 pagina's officiële memoranda over zijn vorderingen naar het Habsburgse hof, en daarnaast nog talloze persoonlijke brieven met kaarten en kopieën of vertalingen van zijn correspondentie met de lokale Oostenrijkse en Ottomaanse autoriteiten. Van Turkse kant werd de grensmeting ondertussen begeleid door de gevolmachtigde Ibrahim, een zachtmoedig en hoffelijk man die tijdens de gehele onderneming veel geduld aan de dag legde en zich meer dan eens schikte in de bevliegingen van de Italiaan.

Zijn uitzonderlijke kennis van de Balkan had Marsigli reeds als jongeman opgedaan, deels in minder gelukkige omstandigheden. Als zoon uit een oud Bolognees patriciërsgeslacht was hij voorbestemd tot een leven dat zou laveren tussen politiek, krijgsdienst, wetenschap en kunst. Maar hij was te rusteloos, te leergierig en te ambitieus om zijn kansen af te wachten. Twee dagen na zijn eenentwintigste verjaardag, koos hij voor het avontuur en vertrok in dienst van een Venetiaanse gezant naar Istanbul.

In de hoofdstad van het Ottomaanse rijk vermaakte de jonge Marsigli zich buitengemeen: hij leerde Turks, verzamelde manuscripten, onderhield zich met geleerden, startte een liefdadigheidsactie ter bevrijding van een Bolognese galeislaaf, en flirtte met het getijdenverloop in de Bosporus, de bestuurlijke decreten van de sultan, en de dochter van de Franse ambassadeur. Maar de pret duurde niet lang. Toen de relatie tussen Venetië en de Turken alweer snel bekoelde, moest ook Marsigli vertrekken.

Hij koos nu voor een militaire loopbaan en sloot zich als vrijwilliger aan bij het Habsburgse leger. Zijn eerste grote militaire onderneming werd evenwel een fiasco. In 1683 rukte een groot Ottomaans leger snel op in de richting van Wenen. Marsigli dacht met Hongaarse versterkingen het tij te kunnen keren, maar dat pakte verkeerd uit. Veel Hongaarse leiders liepen over, zijn escorte werd uitgedund, en plotseling bevond hij zich geheel alleen in de moerassen ten zuiden van Bratislawa, terwijl rondom hem de Ottomaanse en Tataarse soldaten met duizenden tegelijk naar de Oostenrijkse hoofdstad marcheerden. Vlak buiten de muren van Wenen werd Marsigli gevangen genomen.

Hij bevond zich nu in een precair parket, waarbij hij tal van wreedheden moest ondergaan en meer dan één kromzwaard langs zijn hals kietelde. Voorzichtigheidshalve hield hij vol dat hij 'Federico' was, knecht van een Vlaamse handelaar in Venetië. Na enige dagen vol 'extreme disorder', zoals Stoye dat met gevoel voor understatement noemt, werd hij in slavernij verkocht. De Bolognese virtuoos ging van hand tot hand, maar verloor, volgens eigen zeggen, geen moment zijn onlesbare dorst naar kennis. Als dwangarbeider moest hij vestingwerken bouwen, hetgeen slechts zijn interesse voor fortificaties en ballistiek aanwakkerde. Marsigli werd doorverkocht aan twee Bosnische broers, die als ruiters bij de Ottomanen dienst deden. Zij voelden wel iets voor het door hemzelf ontvouwde plan een mooi losgeld te eisen voor zijn vrijlating. Toen de broers na de mislukking van het beleg van Wenen echter met hun gevangene terugkeerden naar hun geboortedorp, leek het er op dat Marsigli gedoemd was daar, diep in de bergen van Bosnië, in vergetelheid weg te kwijnen. Vooralsnog was niemand bereid losgeld te betalen.

Uiteindelijk kwam er echter geld en na meer dan een jaar gevangenschap kon Marsigli een triomfantelijke rentrée maken aan het Habsburgse hof. Hij arriveerde op een gunstig tijdstip. Na de ontzetting van Wenen maakten de christelijke legers zich op om de Ottomanen verder terug te drijven. Ondanks de onderlinge haat en nijd lukte het inderdaad plaats na plaats te veroveren.

Zijn ster rees dermate dat hij na het Verdrag van Carlowitz de logische kandidaat was voor het vaststellen van de nieuwe Balkangrenzen. Door een zonderlinge verknoping in de geschiedenis stuitte hij bij zijn werkzaamheden langs de grens van Kroatië weer op de twee Bosnische broers die hem acht jaar eerder hadden bezeten. Het lot was 'Omer' en 'Gellilo', zoals hij ze noemde, niet gunstig gezind geweest. Net als de meeste van hun landgenoten waren zij als gevolg van de voortdurende oorlogen verarmd en ondervoed, maar Marsigli voelde zich niet te groot om hun wat toe te stoppen en de ontmoeting met drank en schouderkloppen te vieren. Het was immers deels dankzij hun toedoen dat hij het landschap hier zo goed kende en daardoor de rang van generaal had weten te bereiken.

Van die positie zou hij overigens niet lang meer kunnen genieten. Na de Vrede van Carlowitz verplaatste de aandacht van de oude Habsburgse keizer Leopold zich naar het westen. In november 1700 bleek dat de Spaanse koning Carlos II zijn bezittingen had nagelaten aan de Philip van Anjou, de kleinzoon van Lodewijk XIV. Wat dat ook mocht betekenen, één ding was duidelijk voor Leopold: oorlog tegen Frankrijk was onvermijdelijk. Marsigli kreeg een post in het befaamde maar verwaarloosde Rijn-fort Breisach, waar hij tevergeefs om versterkingen smeekte en ruzie kreeg met zijn superieur Philippe Arco. Toen de Fransen oprukten, waren beide generaals het echter snel eens. Ondanks expliciete orders uit Wenen, achtten zij tegenstand zinloos. Eervolle overgave met vrije aftocht was verre te prefereren boven een zekere nederlaag.

Voor het Habsburgse Rijk betekende de val van het gerenommeerde fort echter een enorm debâcle en de generaals moesten zich voor een tribunaal verantwoorden. Op 14 februari 1704 kwam het vonnis: Arco werd ter dood veroordeeld en Marsigli oneervol ontslagen met degradatie. Vier dagen later viel het doek wat betreft Marsigli's militaire carrière: zijn generaalszwaard werd door de beul gebroken.

De Bolognese virtuoso wist zijn dynamische levensstijl ook op gevorderde leeftijd vol te houden. In januari 1722 kwam Marsigli naar Nederland, waar hij de door hem hevig bewonderde Herman Boerhaave bezocht, colleges aan de universiteit van Leiden volgde, boeken en rariteiten kocht in Amsterdam en een uitvoerige studie maakte van de kustgebieden. Marsigli's liefde voor de Nederlanden groeide nog meer toen hij dank zij Boerhaave uitgevers bereid vond zowel zijn vijfdelige natuurhistorische beschrijving van de Franse zuidkust als zijn studie van de Donau te publiceren, nog wel op 'Hollands papier' dat hij altijd het liefst had voor zijn boeken.

Zeer herkenbaar is de inschakeling van de Utrechtse journalist en hugenoot De Limiers om de literaire reputatie van Marsigli wat op te blazen. De journalist toog zelfs op kosten van de uitgever naar Bologna om de schrijver te interviewen en diens onderzoeksinstituut in ogenschouw te nemen. In zijn boekje (1723) schilderde De Limiers de virtuoso, enigszins bezijden de werkelijkheid, af als een bescheiden en wat zwijgzame man maar gaf hij een accuraat beeld van diens wetenschappelijke activiteiten. Omdat Marsigli niet enghartig was, mocht de Utrechtse scribent zich nadien tooien met de titel 'lid van de Academie der wetenschappen en kunsten te Bologna'.

John Stoye heeft in zijn boek waarschijnlijk alles opgeschreven wat hem over de Bolognese edelman bekend is. En dat is heel wat. Misschien wel te veel, want voor een leesbaar boek is het helemaal niet nodig de naam te kennen van ieder gehucht waar de held is geweest. Marsigli's Europe is een knappe biografie, maar ongetwijfeld minder spannend dan het leven van de virtuoos zelf.