Literatuur-criticus Reich-Ranicki doelwit van publicitaire bom

WENEN, 18 JUNI. De Oostenrijkse schrijver Peter Handke schrijft ergens over een boze buldog, wiens moordlust in het getto is verergerd en die nu 'in het land van de beulen' als prachtexemplaar wordt gefêteerd. Wie hij daarmee bedoelde heeft Handke later onthuld: Marcel Reich-Ranicki, de in Polen geboren Duitse literaire criticus, die het getto van Warschau wist te ontvluchten en nu al tientallen jaren de machtigste man is in het Duitse literaire leven.

Voor Handkes werk had Reich-Ranicki nooit een goed woord over, evenmin als voor dat van Botho Strauss en Martin Walser. Voor Thomas Mann koestert hij daarentegen een diepe bewondering (hij schreef een boek over de hele familie Mann). Maar ook Max Frisch, Wolfgang Koeppen, Siegfried Lenz en Thomas Bernhard konden, hoewel op een lager niveau dan Mann en Kafka, zijn goedkeuring wegdragen.

Zijn kritische macht verwierf Reich-Ranicki niet alleen door zijn functies als schrijvend criticus voor eerst Die Zeit en later de Frankfurter Allgemeine. Zijn enorme invloed, ook op de verkoop van boeken, kreeg hij de afgelopen jaren met zijn Das Literarische Quartett, een discussieprogramma over boeken op het tweede Duitse televisienet met één wisselende en twee vaste gesprekspartners. Zo stootte zijn lof op het scherm voor Cees Nooteboom diens boeken meteen naar de top van de Duitse bestseller-lijsten.

Hij gromt in de discussie inderdaad vaak als een buldog. Hij heeft een exuberante mimiek, zwaait wegwerpend of bewonderend met zijn handen, laat moedeloos het hoofd hangen omdat hij zich bij het lezen van een boek heeft verveeld, of verkondigt krakerig dat hij een meesterwerk heeft ontdekt.

Macht wekt tegenkracht en het is dan ook niet te verbazen dat Marcel Reich-Ranicki vijanden heeft. Niet alleen onder gekritiseerde schrijvers als Handke, maar ook onder collega critici. Sinds enige tijd hoort bij deze laatste groep zijn voormalige vriend Walter Jens, hoogleraar in Tübingen, overigens zelf ook een gevestigde literaire autoriteit die onontkoombaar het woord voert bij bijeenkomsten van het Duitse literaire establishment.

Diens zoon Tilman Jens, die enige jaren geleden een dubieuze bekendheid verwierf door in te breken in het Engelse huis van de in 1984 overleden Duitse schrijver Uwe Johnson, heeft nu een publicitaire bom naar Reich-Ranicki geworpen, waarover de opwinding in Duitse dag-en weekbladen de koortsgrens ruim heeft overschreden. In een uitzending van het televisieprogramma Kulturweltspiegel op 29 mei ventileerde Jens junior de beschuldiging dat Reich-Ranicki in 1948 en '49 als agent van de communistische Poolse geheime dienst in Londen werkte. De suggestie werd daarbij gewekt dat de agent Marcel, die toen formeel Pools consul was, Poolse burgers die in de Tweede Wereldoorlog met de westelijke geallieerden hadden meegevochten en uit angst voor het communistische regime in Warschau in Londen waren blijven hangen, had overreed terug te gaan naar het vaderland. Daar zouden zij bij aankomst meteen in de gevangenis zijn verdwenen.

Uit de laatste weken opgedoken Pools archiefmateriaal is nu wel komen vast te staan dat de in 1920 geboren Reich-Ranicki, zoon van de Poolse zakenman David Reich en de uit een familie van rabbijnen stammende Duitse Helene Auerbach, na zijn bevrijding door het Rode Leger tot de communistische partij toetrad. Hij werkte eerst als censor en daarna bij de afdeling contraspionage van het ministerie voor staatsveiligheid in Warschau. In 1948 was hij daar sous-chef van de afdeling buitenland. Daarna werd hij ingezet op het consulaat in Londen.

In 1949 vroeg hij om repatriëring. Omdat hij openlijk de stalinistische processen tegen zogenaamde Titoïsten in de verschillende Oosteuropese landen had gekritiseerd werd hij in Warschau gearresteerd en enige weken alleen in een cel opgesloten. De partij royeerde hem als lid. Hij ging vervolgens in een uitgeverij werken en schreef na 1954, toen in Polen een zekere 'dooi' inzette en een tegen hem uitgevaardigd publikatieverbod werd opgeheven, literaire kritieken die nog sterk beïnvloed waren door Lukács en diens marxistische literatuur-opvattingen. In 1958 verhuisde hij naar West-Duitsland.

Van zijn communistische verleden heeft Reich-Ranicki nooit een geheim gemaakt. In zijn biografische gegevens komt zijn officiële functie in de Poolse buitenlandse dienst steeds voor. Maar zijn activiteiten als geheime dienst-man heeft de grote criticus wat onderbelicht gelaten. Nog vorige week zei hij in een interview in Die Zeit dat hij in Londen en daarvoor alleen maar 'contact had gehad' met de geheime dienst en dat hij na 1945 in het communisme heeft geloofd, toen nog overtuigd dat het een rechtvaardige bestel zou zijn met rechten voor minderheden zoals de joden. In het genoemde interview geeft hij ook toe aanvankelijk in de DDR het 'betere Duitsland' te hebben gezien, waarvan de leiders in nazi-concentratiekampen hadden gezeten en niet, zoals Adenauers staatssecretaris Globke aan de nazi-rassenwetten van Neurenberg hadden meegewerkt. Maar dat hij in het na 1945 eerst nogal liberale Polen iets zou hebben gedaan wat hij nu zou moeten betreuren, ontkent Reich-Ranicki categorisch.

Een paar schrijvers hebben al naar de pen gegrepen om Reich-Ranicki te verdedigen of in elk geval begrip te vragen voor zijn utopisme na 1945. De Pool Andrzej Szczypiorski (Die schöne Frau Seidenmann) doet dat deze week in Die Woche, maar hij schrijft wel dat de Poolse geheime dienst een criminele organisatie was en dat het dus geen bagatel is dat Reich-Ranicki daarvoor werkte. Wolf Biermann, de Oostberlijnse zanger die in 1976 door de DDR-autoriteiten belemmerd werd terug te keren van een tournee door West-Duitsland, deed dat vorige week in Der Spiegel in deze bewoordingen: 'Reich-Ranicki rolt brutaal zijn Poolse R door de media, hij is niet op zijn Duitse mondje gevallen noch op zijn Poolse hoofd, hij is verfrissend onbescheiden en domineert hitserig elke discussie....Ik houd van hem, anders is hij ook niet te verdragen'.